Skip to main content

Full text of "Kilianus: latijnsche gedichten"

See other formats


Google 



This is a digital copy of a book that was prcscrvod for gcncrations on library shclvcs bcforc it was carcfully scanncd by Googlc as part of a projcct 

to make the world's books discoverablc onlinc. 

It has survived long enough for the copyright to cxpirc and thc book to cntcr thc public domain. A public domain book is one that was never subjcct 

to copyright or whose legal copyright term has expircd. Whcthcr a book is in thc public domain may vary country to country. Public domain books 

are our gateways to the past, representing a wealth of history, cultuie and knowledge that's often difficult to discovcr. 

Marks, notations and other maiginalia present in the original volume will appear in this flle - a reminder of this book's long journcy from thc 

publishcr to a library and fmally to you. 

Usage guidelines 

Googlc is proud to partncr with libraries to digitize public domain materials and make them widely accessible. Public domain books belong to thc 
public and wc arc mcrcly thcir custodians. Nevertheless, this work is expensive, so in order to keep providing tliis resource, we liave taken stcps to 
prcvcnt abusc by commcrcial partics, including placing lcchnical rcstrictions on automatcd qucrying. 
Wc also ask that you: 

+ Make non-commercial use ofthefiles Wc dcsigncd Googlc Book Scarch for usc by individuals, and wc rcqucst that you usc thcsc filcs for 
personal, non-commercial purposes. 

+ Refrainfivm automated querying Do nol send aulomatcd qucrics of any sort to Googlc's systcm: If you arc conducting rcscarch on machinc 
translation, optical character recognition or other areas where access to a laige amount of tcxt is hclpful, plcasc contact us. Wc cncouragc thc 
use of public domain materials for these purposes and may be able to help. 

+ Maintain attributionTht GoogXt "watermark" you see on each flle is essential for informingpcoplcabout thisprojcct and hclping thcm lind 
additional materials through Google Book Search. Please do not remove it. 

+ Keep it legal Whatcvcr your usc, rcmember that you are lesponsible for ensuring that what you are doing is legal. Do not assume that just 
bccausc wc bclicvc a book is in thc public domain for users in the United States, that the work is also in the public domain for users in other 
countrics. Whcthcr a book is still in copyright varies from country to country, and wc can'l offer guidance on whether any speciflc usc of 
any speciflc book is allowed. Please do not assume that a book's appearancc in Googlc Book Scarch mcans it can bc uscd in any manncr 
anywhere in the world. Copyright infringement liabili^ can be quite severe. 

About Google Book Search 

Googlc's mission is to organizc thc world's information and to makc it univcrsally acccssiblc and uscful. Googlc Book Scarch hclps rcadcrs 
discovcr thc world's books whilc hclping authors and publishcrs rcach ncw audicnccs. You can scarch through thc full icxi of ihis book on thc wcb 

at |http://books.qooqle.com/| 



/^l/c /y(>.^o 



i}ar)]arD (froUrgt Lttraru 




BOrGIlT WITI! INCOME 



HENRY LILLIE PIERCE 

OF BOSTON 



UlTGAVEN DJiK AXTWERPSCHl-; BlBLIOPlilLEX, N' 6. 



KILIANUS 

LATIJNSCHE GEDICHTEN 



uiTGi;Gi;\'t;N i-:x mkt i;kx i.i;\i:\siii;Rici[T voorkh;n 



n Max ROOSliS 







P. KOCKX, liovkliandclaar dcr Maatsolwppij, 
Oiulc KMiiimirll, 2S. 



MAATSCHAPPIJ 



DER 



ANTWERPSCHE BIBLIOPHILEN 



UITGAVE Nr 6. 



N« 



Exemplaar van den heer 



De Voorzitter, 




De Sekretaris, 



Antwerpen. — Druk. J.-E. Buschmann, Rijnpoortvest. 



KILIANUS 

LATIJNSCHE GEDICHTEN 

UITGEGEVEN EN MET EEN LEVENSBERICHT VOORZIEN 




P. KOCKX, Boekhandekar der Maatschappij, 
Oude Koornmarkt, 28. 






'1 



/<:• 



V ■' ■ 



V 



.. »=■.■■■ b' 4 - 

.. ■ . . « .. «... . _ 



^-■■: ■ i- ■; 



a 



■ V 



<\ 



y 



/ 



/ > * Xt.t^ 



wAV.\mL- 



\ 



lieUNO. on 6 1910 



■i . 



INLEIDING. 




et was het werk zijner uren van uitspanning ! 
Wanneer Comelis Kiel moS geslaafd was aan 
woordenboeken, wanneer zijn oog halfblind was 
getuurd op de proefbladen, dan was het hem eene 
welkomen verpoozing zich aan minder dorren arbeid 
neer te zetten, en voor een deel, hoe klein dan ook, den 
toom aan eigen vindingskracht te vieren. In die oogen- 
blikken van verademing, ruimde de noeste werker een 
hoekje op zijne zwaar beladen tafel in voor het blanke 
blaadje papier, dat zijne ontboezemingen zou ontvangen; 
hij verplaatste zich in eene andere wereld dan die van 
zijnen gewonen pennenarbeid, in een gebied, waar de 
groote dichters van oud Rome den scepter voerden, en, 
eerbiedig hun spoor drukkende, zorgvuldig wikkende en 
wegende, of zij voor die wending of dat woord den 
wenkbrauw niet zouden gefronst hebben, kleedde hij 
zijne gedachte in de taal, die voor elk geletterd mensch 
van zijnen tijd de taal van poezie, welsprekendheid en 
geleerdheid bij uitmuntendheid was, en in den vorm, die 
voor den eenigen gold, waarin beschaafd dichtwerk kon 
gegoten worden. 

Kiel verrichtte bij het maken zijner Latijnsche verzen 
meer nog den arbeid van eenen taalkundige, dan van 



— II — 

eenen dichter, en met de zoete begoocheling van ook 
eens een oorspronkelijk werk te scheppen paarde zich in 
zijnen geest, onbewust, het genoegen geenen stap buiten 
zijnen dagelijkschen en wel gekenden werkkring te stel- 
len. 

Hij was een zeer degeUjk taalgeleerde, en een zeer 
middelmatig dichter. Waarom wij de verzen uitgeven, 
die zoo weinig tot zijnen roem kunnen bijdragen ? Om- 
dat zij hem klaarblijkelijk lief waren, omdat een zijner 
geliefkoosde droomen moet geweest zijn, ze, in keurigen 
druk bijeenverzameld, te zien verschijnen, en om, door 
het verwezentlijken van zijnen wensch, eene laattijdige 
voldoening te brengen, en eene hulde te bewijzen aan 
den man, wien wij zooveel verschuldigd zijn. 

Cornelis was te DufFel geboren. Zijn grootvader en 
zijn vader woonden in dit dorp, op drie uren afstand 
van Antwerpen gelegen, en droegen er den.naam van 
Abts alias Kiel, of van Kiel. (i) 

In het lijkdichtje, dat Kiel schreef ter gelegenheid van 
Ortelius' dood, verklaart hij, dat hij zeventig jaar oud 
is, en ongeveer twee jaar in ouderdom verschilt met 
zijnen vriend, den beroemden aardrijkskundige. Ortelius 

(i) Zie levensbijzonderheden van Cornelis Kiel in zijne Levenschets 
door P. G^nard, Antwerpen, 1874 (overgedrukt uit de Toekotnsf). 
De inlichtingen, aangaande de betrekkingen tusschen Kielen Plantijn, 
zijn door schrijver dezes geput uit het archief van het Museum Plan- 
tin-Moretus. Ik verschil eenigszins met mijnen geleerden vriend 
over de schrijfwijze van Kilianus* Vlaamschen naam. Hij schrijft 
van Kiely ik KieL Mijne gronden zijn, dat Kilianus op de twee Vlaam- 
sche boeken, die hij bij Plantijn liet drukken, telkens zijnen naam 
Cornelis Kiel schreef en dat zijn handteeken C. Kiel luidde. In Plan- 
tijns registers hiet hij nu eens Kiel^ dan weer van Kiel ; de vorm 
Kiel is echter verreweg de meest gebruikte. 



— ra. — 

stierf in 1598 en werd geboren in 1527, van Kiel werd 
dusgeboren in 1528 of in 1329. 

Sweertius getuigt, dat Plantijn hem te Leuven ging 
opzoeken, om hem als correcteur in zijne drukkerij te 
gebruiken. Kiel kon dertig jaar oud zijn, toen hij bij 
Plantijn in dienst trad, en het is wel mogelijk, dat hij, 
na te Leuven gestudeerd te hebben, daar in eene drukke- 
rij gebezigd werd. De Antwerpsche drukker heeft ons 
den juisten dag doen kennen, waarop Kiel zijne taak van 
correcteur bij hem aanvaardde. In zijn dagboek teekende hij 
aan : « Op Zondag, 6 Maart, 1558 is Comelis hier komen 
wonen in den kost, en voor zijn gewoon werk moet hij 
ontvangen 13 stuivers in de week, behoudens hier van 
af te trekken de fouten, die in de drukkerij gedaan wor- 
den, volgens zijn geevenredigd aandeel. En ik zal hem 
ook betalen wat hij . daarbuiten zou kunnen verrichten, 
indien het geval zich voordeed. Ook heeft genoemde 
Comelis mij belooft zorg te dragen voor de letters, de 
pastei, de vormen en ander gereedschap der drukkerij : 
dat wil zeggen van ze te doen wegsluiten en in orde 
brengen door hen, die er voor aangesteld zijn. » 

Dus was Kiel belast met de dubbele taak van proefle- 
zer en meestergast ; hij woonde in de drukkerij en streek 
wekelijks het bescheiden loon van dertien stuivers op. 
Uit de met hem gesloten overeenkomst leeren "wij, dat 
Plantijn zijne correcteurs verantwoordeUjk stelde voor de 
fouten, die zij in hunne proeven hadden gelaten, en hen 
voor deze deed boeten door af te trekken op hunne dag- 
huur. 

Toeh Plantijn in 1562 het land moest verlaten, ver- 
volgd om schulden, en wellicht meer nog om geloofsza- 
ken, verloor Kiel natuurlijk zijnen post. Al wat zijn 



— IV — 

meester bezat aan meubelen, aan boeken, platen, letters 
en verderen alm werd in het openbaar verkocht, en 
voor een groot jaar hield de Plantijnsche drukkerij op 
te bestaan. 

In 1563, toen zij weder geopend werd, na Plantijns 
terugkeer, en aanmerkelijk in belangrijkheid toenam, 
dank aan het vennootschap, aangegaan door den drukker 
met een vijftal der voomaamste burgers van Antwerpen, 
keerde Kiel er al spoedig in terug. Wij zien, dat, 
reeds den 8° December 1363, Plantijn hem de som van 
drie en halven gulden betaalde om de Spraakleer van 
Brechtanus m het Vlaamsch te vertalen. Nergens vonden 
wij een bewijs, dat die vertaUng gedrukt werd. 

Den 14** Januari 1564 kende Plantijn hem 7 1/2 stui- 
vers toe voor elken vorm der Latijnsche dichters in 8°. 
Kiel was toen nog niet terug in de drukkerij komen 
wonen, maar had toch reeds zijne bezigheid van correc- 
teur hemomen, en werkte bij het stuk. 

Het jaar nadien zien wij hem in Plantijns huis temg- 
keeren. Deze laatste trof den24" Juni 1565 eene overeen- 
komst met Kiel, waarbij hij beloofde hem vier gulden te 
zullen betalen voor elke maand, dat hij zou bezig zijn aan 
het proeflezenvoor zekere persen en zetters. « Comelis 
is den24° Juni (1565) bij mij gekomen, teekent Plantijn 
aan, en ik heb zijnen kost niet gerekend. » 

Van den 24"* Febmari 1566 dagteekent eene nieuwe 
overeenkomst. « Voortaan, schrijft Plantijn, zal ik hem 
gedurende den tijd, dat ik slechts drie of vier persen in 
gang houd, twaalf stuivers per week betalen en den kost, 
en, in geval ik slechts twee persen houd, zal ik met den 
kost volstaan. » 

Van 1567 tot 1571 wint Kiel 12 stuivers in de week 



— V — 

en zijn naam is ingeschreven tusschen dien van de 
gewone gasten der drukkerij, die over het algemeen 
meer wonnen dan onze correcteur. Rekent men den 
kost van dezen aan 54 gulden per jaar, zooals Plantijn 
doet, en voegt men er twaalf stuivers in de week bij, 
dan krijgt men eene jaarwedde van 75 gulden, terwijl 
de beste drukkersgasten van Plantijn 150 en de timmer- 
mansgasten ongeveer 250 gulden in het jaar wonnen. 

Den 31" Mei 1571 kreeg Kiel eene aanzienlijke ver- 
hooging : zijn wekelijksch loon werd van 12 op 30 
stuivers gebracht. Van 1583 tot i592wonhij 100 gulden 
in het jaar, van 1592 tot 1600 klom zijne jaarwedde tot 
150 gulden. 

In 1586 zien wij, dat Plantijn, buiten zijn loon, Kiel 
en dezes dochter moet houden : een bewijs — maar het 
eenige — , dat ook na zijn huweUjk Cornelis in de druk- 
kerij bleef wonen. 

Behalve zijn gewoon loon ontving hij soms buiten- 
gewone vergoedingen. Zoo werden hem den 9" Sep- 
tember 1580 twaalf gulden betaald yoor de correctie van 
het Kruidboek van de Lobel. 

Na het jaar 1600 vinden wij van Kiels jaarwedde ' 
geene melding meer gemaakt ; alles doet echter vermoe- 
den, dat hij tot aan zijn dood bij Plantijns opvolger in 
dienst bleef. 

Op zijn mager loon wist hij nog te sparen. Den 16" 
October 1574 is Plantijn hem 200 gulden schuldig, die 
eenen intrest van 71/2 ten honderd afwerpen ; deze rent 
wordt aan Kiel betaald tot in 1585. Dien dag — zijn 
•bruiloftsdag wellicht — werden hem 50 gulden uitge- 
keerd, en den 13" Januari 1586 ontving hij er nog 50 
andere. Den 30" Januari, den 11" Maart en den i6"Mei 



— VI — 

ontving hij er telkens weer 23, en de laatste 25 werden 
hem op lateren, maar ongekenden datum teruggegeven. 

In 1603 erkent Jan Moretus zich op zijne beurt 
Kiels schuldenaar voor eene som van 400 gulden, waar- 
van hij belooft den intrest tegen 6 1/4 per honderd 
's jaars te betalen. Moretus moest die som gelijkelijk 
tusschen de drie dochters van Kiel verdeelen op het 
oogenblik van het overiijden huns vaders. 

Zoolang bleef het geld niet gespaard. Den 29° Augus- 
tus 1606 trouwde Anna, Kiels oudste dochter, met 
Jan Rijkaert, een koopman in hjnwaad, weduwenaar van 
Elisabeth Buyens. Te dezer gelegenheid droeg Kiel aan 
Martina Plantijn, de vrouw van zijnen meester, Jan 
Moretus, den last op, al te betalen wat noodig zou zijn 
voor de klecderen, het eetmaal en andere vereischten der 
bruiloft zijner dochter, ten beloope van vier honderd 
gulden en niet meer. De bruiloftskleederen kostten 217 
gulden 3/4 stuiver, de bruiloftstafel 184 gulden 16 stui- 
vers, samen dus 401 gulden 16 3/4 stuivers, dat is een 
weinig meer dan Kiels spaarpenningen bedroegen; 

Kiel stierf weinige maanden nadien, den 15" April 
1607. Hij had toen nog drie dochters in het leven. 
Zijne vrouw Maria Bosmans stierf v66r 1603 ; waar- 
schijnhjk was hij reeds gevorderd in jaren, toen hij haar 
huwde, en gebeurde dit, zooals wij zegden, rond 1385. 

Maria, Kiels tweede dochter, huwde, den 13"* October 

1609, Andries de Manghelier. Zijne derde dochter, Ca- 
tharina, bleef waarschijnlijk ongehuwd ; van haar weten 
wij alleen, dat zij meerderjarig was den 29" Januari 

1610. • 

Kiel werd begraven op het Onze-Lieve-Vrouwen- 
kerkhof, en op zijnen zerk beitelde men het grafschrift, 



— VII — 

dat zijn vriend Frans Sweerts voor hem samengesteld 
had : 

« Aan ComeUs Kiel, van DufFel, den welbeminden 
en geleerden man, geprezen om zijne standvastige werk- 
zaamheid en zijne onverzwakte vlijt. Gedurende vijftig 
jaar was hi) als proeflezer in de Plantijnsche drukkerij 
werkzaam. Hoe trouw, ervaren en geleerd hij zijn 
ambt vervulde, getuigen de boeken, uitmuntende boven 
al de voortbrengsels eener onsterfeUjke kunst, door hunne 
sierUjkheid, hunnen glans, hunnen roem. Niet immer 
hield hij zich bezig met het werk van anderen, het 
zijne verzuimende. Een sierUjk Latijnsch schrijver was 
hij, en een bevaUige dichter ; ook beoefende hij den 
vaderlandschen stijl, en herstelde zijne moedertaal in eer 
en zuiverheid. Hij overleed, moe van dagen en werken, 
in 1607, op Paaschdag ». 

Zooals zijn grafschrift het herinnert, besteedde Kiel of 
KiUanus, geUjk hij zich als schrijver doopte, zijne zorgen 
niet areen aan het werk van andere geletterden, hij zelf 
schroef of vertaalde verscheidene werken. 

Hij vertaalde in het Nederlandsch, zooals wij zagen, 
de Latijnsche spraakleer van Brechtanus; in dezelfde taal 
nog zette hij over de Historie van Coninck Ludovick van 
Vranckrijck den etfsten dies naems, ende van hertogh Carle 
van Burgondieny naar het Fransch van PhiUps van Com- 
mines, uitgegeven door Jan Moeretorf en Fran^ois van 
RaveUnghen in 1578; de jo Homilien van MacariSy door 
Plantijn gedrukt in 1580; de Beschryvinghe van alle de 
Nederlanden, naar het itaUaansch van L. Guicciardini, ge- 
drukt te Amsterdam bij WiUem Jansz, in 16 12. 

Maar verreweg het bijzonderste werk van Kiel was 
zijn Vlaamsch-Latijnsch woordenboek, of Uever zijne 



— VIII — 

Vlaamsch-Latijnsche woordcnboekcn. Het was op last van 
Plantijn, dat hij zich aan dezen arbcid zette ; het was op 
eigen aandrang en met vooriiefde, dat hij er het grootste 
deel zijns levens aan wijdde. 

Zijne eerste proef in het vak der Nederlandsche taal- 
kunde leverde hij hoogst waarschijnUjk in den vorm 
eener bijdrage tot het Dictionarhm Tetraglotton, een 
Latijnsch- Grieksch- Fransch- Vlaamsch woordenboek, 
door Plantijn in 1562 gedrukt, en gelijktijdig verschenen 
bij hem, bij Arnoldus Birckmann, Joannes Steelsius en 
Guilielmus Silvius. 

In de voorrede van dit werk getuigt Plantijn, dat hij 
de woorden verzameld had uit de Latijnsche woorden- 
boeken, gedeelteHjk met eigen hand, gedeeltelijk met 
vreemde hulp, en dat hij ze in het Fransch en in het 
Latijn had laten overzetten door een geoefend rnan. Daar 
Kiel bij Plantijn in 1362 werkzaam was, en daar hij in 
1564 een soortgeHjke taak aanvaardde als die, welke de 
geoefende man in 1562 voltooid had, zoo bestaat er ge- 
gronde reden om te veronderstellen, dat de vertaler uit 
het Latijn in het Nederlandsch en het Fransch niemand 
anders was dan onze correcteur. 

Stelliger is ons zijne medewerking bekcnd aan een 
ander en belangrijker woordenboek : de Thesaunis Theu- 
toniciB Lingua of de Schat der Neder-duytscher spraken door 
Plantijn in 1573 uitgegeven (i). 

Lang voor dit boek verscheen, W3s het op touw gezet 
en afgewerkt. Plantijn geeft ons hierover, en over het 



(i^ Zie voor nadere bijzonderheden over dit boek in het Neder- 
landsch Museum (1880, blz. 190-208) mijn artikel ; Hoe de IVoorden- 
hoeken van Plantijn en Kilianus tot stand kwatnen. 



T— IX 

ontstaan van het werk in het algemeen, zeer breedvoerige 
en belangwekkende bijzonderheden in de Fransche voor- 
rede van den Thesaurus. 

Zoohaast de beroemde drukker in onze streken aange- 
komen was (1549-15 50), zoo luidt zijn verhaal, had hij 
de behoefte gevoeld om de taal onzer gewesten te leeren 
kennen, en daar er geen bruikbaar woordenboek van be- 
stond, had hij onmiddellijk zelf de hand aan het werk 
geslagen en, bijeenbrengende de woorden, die hij hier en 
daar ontmoette, legde hij den grondslag tot een woor- 
denboekvan dageUjksch gebruik. Later, omstreeks 1557, 
vemam hij, dat ook andere en meer bevoegde mannen 
zich met eenen arbeid van denzelfden aard bezig hielden, 
en dien ten gevolge liet hij zijn opgevat ontwerp rusten. 
Maar ziende, dat er niets kwam van de werken, door 
anderen op touw gezet, besloot hij zijn taak te hervatten 
en ze op breeder schaal uit te voeren. 

Hij za*g dus naar mannen uit, die hem van dienst 
konden zijn in het opstellen vnn een voUedig Neder- 
landsch woordenboek ; hij vond er vier, en droeg hun 
den last op om elk op verschillende wijze bij te dragen 
tot bet gemeenschappelijk wcrk (1564). De eene vertaalde 
woorden en volzinnen uit het Latijnsch-Fransche woor- 
denboek in het Vlaamsch ; de andere deed hetzelfde met 
het Fransch-Latijnsche woordenboek ; een derde ver- 
zamelde uit Vlaamsche en Duitsche woordenboeken de 
woorden, die hem bruikbaar schenen, en vertaalde ze in 
het Latijn : de vierde werkte naar eigen goeddunken. 

Toen elk zijne bijdrage voltooid had, en de tijd gun- 
stig was om te drukken, deed Plantijn de vier onder- 
scheidene werkeu tot een geheel versmelten. Dit was 
geene kleine zaak ; maar, toen ook dit bezwaar overko- 



— X — . 



men was, begon eindelijk de druk. Bij het zien der eerste 
vellen was Plantijn echter zoo weinig tevreden over de 
uitvoering van zijn plan door zijne medewerkers, dat hij 
de gedrukte bladen tot de vuilmand veroordeelde, en 
besloot het werk op nieuw te laten opstellen. 

Later kwam hij tot de overtuiging, dat het onmogeHjk 
was, in eens een volmaakt woordenboek van eene levende 
taal te schrijven, en besloot hij de kopij, die hij bezat, 
maar te laten drukken, zooals zij was, in de hoop, dat 
^ eene eerste proef, hoe onvolmaakt ook, iets beters en 
volledigers in het leven zou roepen. In 1566 drukte hij 
dus de twaalf eerste vellen van zijn werk. Overvloed van 
bezigheid deed hem alsdan het werk staken en eerst 
in Juni 1572 hervatte hij het. Onafgebroken ging het 
toen voort tot op 29 Januari 1573, wanneer het boek 
voltooid werd. Veertien dagen later werd de voorrede 
geschreven en gedrukt 

Het archief van het museum PIantin-Moretus*volledigt 
deze inlichtingen nog door eenige wetenswaardige bij- 
zonderheden, waarvan enkele belangrijk zijn voor Kiels 
geschiedenis. 

De eerste der vier medewerkers, tot wie Plantijn 
zich wendde om zijnen Schat der Nederduytscher-spraken 
te doen opstellen was Cornelis Kiel. 

Op Zondag, 23 November 1563, teekende Plantijn in 
zijn Livre des affaires aan, dat hij een ongebonden La- 
tijnsch-Fransch woordenboek te Parijs gekocht had, tegen 
14 gulden en 3 stuivers, en het aan Comelis van Kiel 
gegeven had om er het Fransch in het Vlaamsch van te 
vertalen. De vertaler kreeg 9 stuivers per vel en Plantijn 
zou vijf gulden kwijtschelden, die Kiel hem schuldig 
was ; op het einde des werks zou hij hem nog eene fooi 



— XI — 

van 10 gulden betalen. Den 28" November 1563 had 
Kiel 12 cahiers afgeleverd; den 16" September 1564^^5 
zijne taak afgewerkt, en ontving hij het loon der 36 
laatste vellen. 

De medewerkers van Comelis Kiel waren Andries Ma- 
doets, een ander correcteur van Plantijn, die het Fransch- 
Latijnsche woordenboek van Jean Thierry, te Parijs, in 
1564, bij Jacques Dupuis gedrukt, in het Vlaamsch ver- 
taalde ; Qiiinten Steenhartsius, die Madoets' werk over- 
zag, en Augustin, die insgeHjks het Vlaamsche woorden- 
boek overlas. 

Het aandeel der twee eerste medewerkers was verreweg 
het voomaamste, dat der beide anderen was van gering 
belang. 

Toen Plantiju zijn Woordenboek onder handen nam, 
was hij er onmiddelijk op bedacht zijne mededingers den 
pas af te snijden. Reeds in het begin van 1364 vroeghij 
een privilegie voor verscheiden woordenboeken, waarvan 
een het Fransch, een ander het Vlaamsch, een derde het 
Latijn en een vierde het Italiaansch voorop zou hebben. 
Dit privilegie werd hem den 3" Maart 1564 voor zes 
jaar toegestaan. Daar die tijd verloopen was, voor d^t 
het werk het licht had gezien, vernieuwde Plantijn zijne 
aanvraag op het oogenblik, dat het boek bijna afgedmkt 
was. Den 14" Januari 1573 kreeg hij een nieuw privilegie 
van zes jaar voor zijne onderscheidene woordenboeken. 

Li dit privilegie komt er eene merkwaardige bepaHng 
voor. Plantijn had er in zijn vertoogschrift aan den Raad 
van Brabant op gewezen, dat zijne correcteurs kopijen 
bewaard hadden van hunne bijdragen tot zijn woorden- 
boek, en deze aan andere dmkkers hadden verkocht, om 
ze te laten drukken, nadat zijn werk zou verschenen zijn, 



— xu — 

en dat zij hieruit of uit andere bronnen zouden kunnen put- 
ten hebben, om hun eigen werk te volledigen. Tegen die 
oneerlijke mededinging verzocht cn verkreeg de omzich- 
tige drukker bescherming. Het werd aan eenieder stipte- 
lijk verboden niet alleen Plantijns verschenen en nog te 
verschijnen woordenboeken, maar ook eenigen anderen 
« Vlaemschen Dictionarium, onder anderen tytle ofte 
name, daer het duytsch voorgestelt is, ende die met 
eenige hulpe ofte toedoen van voorschreven Plantijns 
correcteurs zouden moghen gemaeckt oft vergadert 
wesen », na te drukken. 

Die bepaling schijnt rechtstreeks tegen Kiel gericht te 
zijn, die op dit oogenblik waarschijnHjk reeds in onder- 
handeling was om zijn eig^n woordenboek uit te geven. 
Inderdaad het verscheen een jaar na dat van Plantijn. 
Deze ontving echter voldoening van Kiel, want in het 
privilegic, dat hij v66r zijn woordenboek drukte en dat 
gedagteekcnd is van 4 Februari, en nict van 14 Januari 
1573, wordt er niet meer gesprokcn van zijne correc- 
teurs. 

De verkregen voldoening bestond hierin, dat Kiels 
woordenboek gedrukt werd bij den drukker Geeraard 
Smits, voor gezamentlijke rekening van Plantijn en van 
zijnen ambtgenoot Jan Steels. 

Het boek verschcen, zooals wij zeiden, in 1574 enver- 
schilde merkehjk van Plantijns Schat der Neder-duytscher 
spraken. 

Vooreerst was het veel kleiner. Plantijns werk houdt 
272 4° blaadjes in, KiHanus' Dictionarium Teutonico- 
Latinum bevat er slechts 120 in-8°, zoodat het eerste boek 
meer dan vier maal grooter is dan het laatste. Plantijns 
woordenboek gaf dc Latijnsche en Franschc vertaling 



■■tei 



— xin — 

van elk woord en daarbij menigvuldige overgezette 
voorbeelden en volzinnen. Dat van Kilianus geeft 
alleen eene Latijnsche vertaling der stamwoorden, het 
geeft geene samengestelde woorden, en ook geene vol- 
zinnen tot oefening ; het heeft daarbij een meer weten- 
schappehjk karakter : bij de Nederlandsche woorden van 
Franschen oorsprong wordt het uitheemsche stamwoord 
opgegeven, terwijl in woorden van Germaanschen oor- 
sprong, maar van minder gebruik, het Hoogduitsche 
woord wordt aangehaald. 

Geen twijfel, of KiHanus bezigde voor zijn woorden- 
boek een deel der stofFen voor Plantijns Schat der Neder- 
duytscher spraken bijeengebracht. In de voorrede van zijn 
werk deelt hij ons mede, dat hij, om aan Plantijns 
inzichten te voldoen en om zijne moedertaal eenen dienst 
te bewijzen, best gevonden had de Nederlandsche uit- 
drukkingen van Germaanschen en vreemden oorsprong, 
die hier te lande gebezigd waren, bijeen te zamelen en in 
alphabetische orde te stellen. 

Op het einde van zijn dictionarium schreef hij een 
drietal disticha, die hij in zijne vereenigde verzen niet 
opnam, en die aldus luiden : 

Epilogus Kiliani 

Scripsimus haec patriae celebrantes commoda linguae, 
Ut maneat verbis lausque decusque suis. 

Confugite in proprias procul hinc exotica terras : 
Orania Teutonicus sermo referre potest. 

Tu quoque cum verbis peregrinis Zoile abito : 
Nil nobes tecum : da quibus illa placent. 

De tweede uitgaaf van KiUanus' Dictionarium Teutonico- 
Latinum verscheen in 1388 bij Plantijn, en was ruim 



— XIV — 

driemaal zoo groot als de eerste. Zij bevatte 765 in 
plaats van 240 bladzijden. In de voorrede geeft Kilianus 
het voomemen te kennen om de zegswijzen van elk der 
Nederlandsch-sprekende gewesten in zijn woordenboek 
op te nemen, en dikwijls geeft hij in den loop van zijn 
werk dan ook de plaatsen op, waar het een of ander 
woord in gebruik is. Hij bracht daarbij de uitdrukkingen 
der verschillende gewesten in eene en dezelfde Brabantsche 
schrijfwijze, en verzond de woorden van vreemden oor- 
sprong naar het einde van zijn boek. 

De derde uitgaaf van zijn woordenboek, die hij in 
1599, onder den titel van Eiymologicum Teutonica lingtue^ 
bij Joannes Moretus liet verschijnen, was weer vollediger 
dan de beide vorigen. Zij telt, wel is waar, i^ne bladzijde 
minder dan de tweede, maar het formaat is van 100 tot 
ruim 150 vierkante centimeters vergroot. Het museum 
Plantin-Moretus bezit het exemplaar der tweede uitgaaf, 
op wiens randen Kilianus de bijvoegsels schreef voor de 
derde^ en deze zijn waariijk niet gering in getal. Waar 
het pas geeft, worden in dezen laatsten druk bij de 
Latijnsche overzetting niet alleen Fransche of Duitsche, 
maar ook Engelsche, Angelsaksische, Spaansche, Ita- 
liaansche en Grieksche vertaUngen gevoegd, om den 
gemeenschappeUjken oorsprong derzelfde woorden in 
deze verschillende talen te doen uitkomen. 

Vergeleken met Plantijns woordenboek geeft dat van 
Kilianus in zijnen voUedigen toestand een veel aanzien- 
lijker getal woorden, het laat de groote hoeveelheid ver- 
taalde volzinnen wegvallen, die den Schat der Neder- 
duytscher spraken nutteloos verzwaren, en vervangt dien 
overtolUgen baUast door bruikbare waar. 

Het doet meer. Plantijn had zich hoofdzakeUjk voor 



— XV — 

doel gesteld een woordenboek te leveren, nuttig en 
bruikbaar voor de vreemdelingen, die, als hij zelf, be- 
hoefte gevoelden onze taal te leeren. Cornelis Kiel 
wilde een woordenboek tot stand brengen, dat terzelfder 
tijd een vaderlandslievend en wetenschappelijk werk 
zou zijn. Met de uitdrukkingen uit de onderscheidene 
gewesten tot een geheel te verzamelen, en ze naar een 
.vast stelsel te schrijven, bewees hij eenen uitstekenden 
dienst aan de versmelting der dialecten, aan hunne 
vereeniging tot eene algemeene taal, en aan de verrij- 
king dezer ; met de verwantschap tusschen het Neder- 
landsch en andere talen aan te duiden, gaf hij eenen 
machtigen stoot tot de ernstigere studie onzer moeder- 
taal. 

Plantijn had begrepen, dat in eenen tijd, toen de 
Nederlanden het toppunt van hunnen bloei hadden 
bereikt, en Antwerpen de groote wereldmarkt was 
geworden, de taal van die landen en van die stad ge- 
makkelijk en voUedig moest kunnen aangeleerd worden 
door de duizende vreemdeUngen, die .hier dageUjks 
aankwamen ; Kilianus had begrepen, dat, nu de Neder- 
landen onder eenen zelfden scepter vereenigd waren, en 
voor het eerst een groot en bloeiend land uitmaakten, 
de taal, die het grootste deel der Nederlanders tot een 
zelfde volk maakte, haren rang moest innemen onder de 
groote Europeesche spraken, en dat Antwerpen, waar in- 
boorlingen uit alle Nederlandsche gewesten samen ver- 
keerden, de rechte plaats was om de gemeenschappelijke 
taal hare doopakte, in vorm van een degeUjk woorden- 
boek, te geven. 

Groot was de dienst, die beide mannen aan het Ne- 
derlandsch bewezen. Plantijn zette het werk op touw ; 



— XVI — 

Kilianus werkte het af ; de eerste effende de baan, wees 
den weg cn maakte er de bewandeling gemakkelijk van; 
de andere zag klaarder den eindpaal en wist hem met 
werken en volharden te bereiken. 

V66r hen had onze taal niets, dan eenige karige woor- 
denlijstenen den TheutonistawmYm der Schueren,die weL 
voUediger, maar meer het woordenboek der Kleefsche 
gewestspraak dan van het Nederlandsch in het algemeen 
is. Door Plantijns en Kilianus' bemoeiingen werd die 
leemte aangevuld, en verkregen wij voor het eerst dege- 
lijke en volledige woordenboeken. Het nageslacht heeft 
recht laten wedervaren, wien recht toekomt. Beide 
werken bekleeden nog immer eene eereplaats in onze 
bibUotheken ; maar het woordenboek van Kilianus, elf 
maal herdrukt, wordt oneindig meer geraadpleegd dan 
dat van zijnen meester, en is tot op heden nog de 
bijzonderste vraagbaak voor onze zestiendeeuwsche taal. 

Kiel liet het niet bij dit 66ne woordenboek. Het 
schijnt dat hij, voor een deel althans, de belofte wilde 
vervullen, die Plantijn in de aanvraag van zijn privilegie 
van 1364 deed, en sommige der daarin aangeduide woor- 
denboeken wilde opsteUen. 

Het museum Plantin-Moretus bezit -nog twee hand- 
schriften van woordenboeken, door hem gemaakt. Het 
eerste is groot 239 bladen in foUo op twee kolonmien, 
dicht geschreven en bevat den tegenhanger van het Ety- 
mologicum onderdennaam van Synonymia Latino-Teutonica. 
Het is een woordenboek, waarin de Latijnsche woorden 
voorop staan, en in het Nederlandsch vertaald worden. 
Het tweede is een gedrukt exemplaar van het Promptua' 
rium Latina Lingua^ door de Plantijnsche drukkerij in 
1591 uitgegeven, waarop KiUanus achter de Grieksche 



— XVII — 

en Fransche vertaling der Latljnsche woorden nog eene 
Nederlandsche overzetting schreef. 

Beide deze werken, waarvan het eerste vooral voor 
de XVI® eeuw niet minder nuttig moest zijn dan het 
Etymologicum, bleven ongedrukt. 

Het schijnt, dat Plantijn en zijn navolger voor hunnen 
talentvoUen correcteur niet de achting hadden, die hij 
verdiende. Wij zagenreeds, datde eerste uitgaaf van zijn 
woordenboek niet bij Plantijn gedrukt werd ; de verta- 
ling van Commines werd niet door Plantijn, maar door 
twee zijner schoonzonen, uitgegeven ; zeven jaar na 
Kiels dood werd zijne vertaling van Guicciardijn eerst 
uitgegeven, en dan nog in Amsterdam ; de verzameHng 
zijner Latijnsche gedichten, door Kilianus met zooveel 
zorg bijeengebracht en tot den druk gereed gemaakt, 
bleven tot in 1880 ongedrukt in de Plantijnsche biblio- 
theek staan. En niet alleen als letterkundige, ook als 
mensch, werd hij beneden zijne waarde geschat ; wlj 
zagen reeds, hoe karlg zijn loon was; voegen wij er bij, 
dat zljn naam regelmatig voorkomt tusschen die van de 
gewone werklieden der drukkerij. Waar zijn meester 
zijne goede vrlenden aan zljne tafel noodigt, is hij er 
niet bij ; waar aan de vreemde geleerden de groete 
wordt gebracht der hulsvrienden van Plantijn, ontbreekt 
zijn naam. Plantljn gaf hem nlet eens eene zijner dochters 
ten huwelijk, alhoewel elk der andere voornaamste be- 
dienden, Frans van Ravellngen, Jan Moeretorf, Gillis 
Beys, er eene tot vrouw kreeg, en er buiten deze drle 
nog een paar beschikbaar bleven. 

Enkel In twee akten van belang kwam Kilianus als 
getuige van Plantijn voor : de eerste maal, toen de 
groote drukker, den 26°November 1585, zljne drukkerlj 

II 



— X\TII — 

te Lcidcn aan zijncn schoonzoon, Fninsvan Ravelingen, 
overlict ; dc twcedc maal, toen hij, dcn 7" Juni 1589, 
ecn codicillc op zijn tcstamcnt maaktc. 

En cchtcr, als mcn dc dicnstcn vcrgclijkt, door Kilianus 
bewczen aan dc lettcn^-crcld, met die zijncr amb^enooten, 
dan aarzcltmen geen oogenblik om hem de eerste plaats 
toe te kennen — en dan begrijpt men ook, waarom wij 
hct ons tot eenen plicht rekenden het verzuim zijner 
tijdgenootcn eenigcrmate te herstcUen, en hem, door het 
drukken zijner verzcn, na zijnen dood de voldoening te 
geven, die hem gedurcnde zijn Icven geweigerd bleef, 

En nu nog een woord over deze verzen. 

Het handschrift, dat wij overdrukken, vormt een dik 
schrijfboek, in klein 4°, van 123 blaadjes, zeer schoon 
gcschreven, door eene anderc hand dan die van Kilianus. 
De naam van den overschrijver en verzamelaar der ver- 
zcn wordt ons in eene randteekening, die Kilianus eerst 
schreef, daama doorhaalde, bekend gemaakt : het was 
Petrus Curtius (de Cort ?). De dichter heeft hier en daar 
wijzigingen aangebracht in het oorspronkelijk handschrift, 
en de verzen, die wij drukken, verschillen daarbij op 
sommige plaatsen van die, welke Kilianus zelf liet ver- 
schijnen. Balthazar Moretus heeft aan ons handschrift 
ook eenige veranderingen gedaan, waar wij echter geene 
rekening van gehouden hebben. 

Bij de .stukken Lusus in Europce nationes en Septem artes 
liherales heeft Kilianus, met eigen hand, wijdloopige 
ophelderingen gevoegd, bestaande in uittreksels uit oude 
en nieuwe schrijvers, die wij niet opgenomen hebben. 

Het handschrift draagt op het eerste blad het opschrift : 
Francisco, Justo^ Raphelengiis fratribus, zijnde dit vermoe- 
delijk eene aanduiding, dat het bestemd was om aan 



— XIX — 

deze beide zonen van Frans van Ravelingen, die zich 
met Latijnsche verzenmakerij bezig hielden, aangeboden 
of opgedragen te worden. 

Het tweede blaadje bevat in het bovendeel van den 
titel de woorden : Cornelii Kiliani Dufflaei Miscel- 
LANEORUM Carminum libri duo Lcctu tion minus utiles, 
quam jucundi, en aan den voet : Excudebat.... Het hand- 
schrift was dus klaarblijkelijk gereed gemaakt om gedrukt 
te worden. 

Wij begrijpen echter beter, waarom de Moretussen 
dien verzenbundel niet gedrukt hebben, dan waarom zij 
sommige andere boeken van Kilianus, zijne Synonymia en 
zijne vertaling van Guicciardijn, bijvoorbeeld, niet uit- 
gaven. 

Kilianus' verzen onderscheiden zich, onder de ontel- 
bare en onbeduidende pennevruchten der Neo-Latijnsche 
dichters van die dagen, door hun gebrek aan al wat wij 
poezie noemen. 

Gevoel, verbeelding, oorspronkelijkheid aan vorm of 
gehalte, niets van dit alles dient men er in te zoeken. 
Hoogstens vindt men in de beste stukken eenige puntige 
trekken van eenen hekelenden geest. Gewoonlijk zoekt 
de schrijver niets anders dan alledaagsche kennissen en 
gedachten in den vorm der geleerde taal te gieten, zonder 
dat woordenkeus of verzenbouw mank ging. Wij zegden 
het reeds, het is meer het werk van eenen . taalkundige 
dan van eenen dichter. Argeloos bekent hij dit dan ook 
in zijne voorrede : « Wij hebben ons werkje laten lezen 
aan sommige geleerde mannen, opdat zij openhartig 
oordeelen zouden over de stof, den volzin en den verzen- 
bouw. » Op hun gunstig oordeel kwam de drukker, 
achter wiens naam Kilianus zich verborg in het schrijven 



— XX — 

dier voorrede, of liever Kilianus zelf dus, tot het besluit 
deze verzen te laten verschijnen. 

Hij verdeelde ze in twee boeken, het eerste bevattende 
onderwerpen van wereldschen, het tweede stukken van 
geesteUjken aard, 

Zooals KiUanus het in zijne voorrede verklaart, werden 
zijne verzen eene eerste maal door verscheidene druk- 
kers, onder welke een geschrabde tekst Plantijn, Jan 
Moretus en Philips Galle noemt, afzonderlijk gedrukt. 

Waarin die afzonderUjke drukken bestaan, weten wij. 
Eenige stukken, nameUjk de acht of negen eerste en de 
drie laatste werden hoogstwaarschijnUjk op losse bladen 
uitgegeven. Van een enkel, Bihliotheca^ hebben wij eenen 
dergeUjken afzonderUjken druk weergevonden, op een 
blad in klein foUo, bij Plantijn verschenen, met eene 
versierde lijst omringd, en bestemd, waarschijnlijk, om 
opgeplakt of achter glas in de bibUotheeken gehangen te 
worden. 

Van de overige stukken van dezen aard werden er 
enkel in grootere werken opgenomen, zooals Lusus in 
Europa nationes in Delitia C pcetarum Belgicorum hujus 
superiorisque cevi illustrium collectore Ranutio Ghero. Fran- 
cofiirti, Typ. Nicolai Hoffmanni, Sumptibus Jacobi 
Fischeri Anno mdcxiv. (m. 37). 

Lusus in tres operas lihrarias in Laurent. Beyerlinck : 
Magnum theatrum vitce humana, Col. Agrip. Ant. & Am. 
Hierati, 163 1 (Lib xvm. p. 237). 

Orthographice Latina querimonia in Kilianus : Etymo- 
logicum. Ant. Plant. 1599, en latere uitgaven. 

Gloria exilialis overgedrukt in F. Sweertius : Monumenta 
Sepulcralia, Antv. Gasp. BeUerus, 1613. 

In ohitum Christophori Plantini (het eerste der twee 



— XXI — 

stukken) in Joannes Bochius : Epigrammata funebria ad 
Christophori Plantini Manes. Antv. Plant. IS90« 

Het grootste deel echter van Kilianus' gedichten 
werden gemaakt om tot opschriften van gravuren te 
dienen. Zij vormen aldus eene nogal belangrijke bijdrage 
tot de kennis der plaatwerken van dien tijd. 

Kilianus beleefde de jaren, toen Antwerpen de groote 
prentenmarkt van Europa was, en er binnen hare muren, 
platen van allerlei aard bij duizenden werden voort- 
gebracht. De familien Wiericx, Sadeler, Collaert, Galle, 
de Jode^ van de Passe, de graveurs Pieter van der 
Borcht, Karel de Mallery, om van zoovele anderen niet 
te spreken, lieten in enkele bladen, of in platenreeksen, 
dag aan dag, werken uitgaan, soms van geringe kunst- 
waarde, maar gewoonlijk uitstekend door de keurigheid 
hunner bewerking. Meestal die stukken moesten van 
Latijnsche opschriften, zeer dikwijls in verzen, voorzien 
worden, en om deze te maken namen verscheidene 
kunstenaars, of liever uitgevers, hunnen toevlucht tot de 
pen van Kilianus. 

Voor de werken der twee grootste graveurs-familien, 
de Wiericxen en de Sadelers, bUjkt hij geene verzen 
gemaakt te hebben; zooveel te meer voor die van de 
CoUaerts, de Galle's en van Karel de Mallery. 

Of de Animalia quadrupedra (bl. 26) voor opschrift 
dienden, wetenwij niet, alhoewel het goed mogelijk zij. 

Het eerste stuk, dat wij terugvonden op eene reeks 
gravuren, zijn de Jachttooneelen: Venationes ferarum enz. 
(bl. 73). Zij verschenen onder den titel : 

Vcnationes ferarum, avium, piscium^ Pugnaj bestiariorum et Mutuae 
bcstiarum depictae a Joanne Stradano, cdita; a Philippo Gallaco : 
carmine illustratae a C. Kiliano Dufflaeo. Generoso^ prudenti ac 



— xxu — 

nobilissimo viro D. Henrico ab Oosthoorn et Sonnevelt I. V. Licen- 
tiato, cognato suo, Philippus Gallaeus amoris ergo libens merito O. D. 

De reeks bevat eenen gegraveerden titel en 102 platen, 
die gegraveerd zijn door Jan en Adriaan Collaert, Theo- 
door, Philips en Comelis Galle, en Karel de Mallery. 

Eene tweede uitgaaf verscheen bij Nicolaus Visscher. 
De platen, die den naam van Philips Galle droegen in 
de eerste uitgaaf, zijn zonder naam van graveur m de 
tweede. 

Circulus vicissitudinis rerum humanarum (bl. 92). Ver- 
scheen in 8 bladen, met eenen afzonderlijken titel, aldus 
luidende : 

Circulus vicissitudinus rerum humanarum edebat Philippus Gal- 
laeus, ludebat Comelius Kilianus DufHaeus. M.deVos invent., Joan 
CoUaert, sculp. Ornatiss. ct clariss. viro D. D. Philippo Veuselio, 
Hispan. in Brabantia a Consiliis ordinario, has mundi Vidssitudines 
Philippus Gallaeus D. D. 

Twee der acht platen zijn door Karel de Maliery ge- 
sneden. 

Varii hominum sensus (bl. 93) bestaat uit vijf platen en 
eenen titel, op welken de eerste strofe in eene gegraveerdc 
lijst voorkomt. De gravuren dragen de adressen : 
Abr. Francken invenity Carel de Mallery sculp,, Th^ 
Galle excudebat. — Op den titel van het exemplaar der 
Koninklijke BibUotheek van Brussel staat de naam van 
Theodoor Galle als uitgever. De Latijnsche verzen ver- 
schillen merkeUjk van die, welke wij hier drukken, eene 
vertaUng in het Fransch en in het Nederlandsch verge- 
zelt ze. Misschien werd die vertaUng ook door Kiel 
bezorgd. Wij laten er hier de eerste strofe als staaltje 
van volgen. 



— Xxiii — ^ 

£n sereinant le del ou en mouvant tempeste 
Juppin mesme ne peult complaire d chasque teste ; 
Pens' tu donc que le vieil et le jeune pourront 
Donner contentement d tous de ce qu^ilz font. 

Dat t'neuswys volcksken hem verscheydentlyck onderwint 
Des oude-mans en des jonghens saecken 
En is gheen wonder want sy zyn zoo oneensgesint 
Dat d'een pryst dVelck men d'ander siet laecken. 

Orlanduccius Leoninus puer leoni a matre ereptus (bl. 94). 
Komt voor op eene gravuur, die alleen voor titel draagt: 
Insigne in prolem materni exemplar anioris. De namen van 
bewerkers en uitgever zijn : Joan. Stradan. inv.j PUk 
Galle excud., Adrian Collaert sculp. Ludebat Corn. Kil. 
Duffl. 

Comes Ugolinus Giradescus et liberi dira fame consumpti 
(bl. 96) staat op een stuk met de adressen : Joann. 
Slradanus inv., Theodor. Galle sculp.y PU^ Galle excud. 
Ludebat Cornelius Kilianus Dufftaeus. 

Dii Geniium celeberrimi en Dea Gentium celeberrimce 
(bl. 99 en loi). Wij trofFen de reeks niet aan, waarvoor 
deze verzen dienden ; maar de disticha : Satumus, Jupiter, 
Sol, Mercurius, Mars, Venus, Luna, komen voor op 
eene reeks van zeven platen met den afzonderlijken 
titel : 

Septem planeia a celeherrimo pictore Joanne Stradano depicta eta Cornelio 
Kiliano illustrata. Joannes CoUardus sculpebat et Joannes Gallaus edcbat, 
Antverpia. 

Quaiuor elementa (bl. 103). Vier platen : Adrian Collaert 
invent. sculp. et excud. Een tweede staat draagt voor op- 
schrift : Mart. de Vos invent.^ C. Visscher exc. 

Metisis XII anni solaris, (bl. 104). De koninklijke 
bibHotheek van Brussel bezit twee bladen van deze reeks : 



— XXIV — 

Febrmrius en Mariim^ met de namen : Judocus de Mamper 
inv. ; Joan. Collaert sculp. ; Ph*. Galle excud. 

Qmtuor mundi partes^ (bl. 107). Deze vier stukken 
maken in het exemplaar, welk de koninklijke bibliotheek 
vanBrussel bezit, het vervolg uit op de VQeksProsopographia 
(bl. 135), en dragen daar de N" 40-43. 

Vulcanus aPallade victus (bl. iio). Die titel ont- 
breekt op de gravuur, welke onderteekend is : Ph^^ Galle 
inv.y Theodor Galle sculp.^ Joan. Galle excud. Ludebat Corn. 
Kil. Duff. 

Illustres femina Veteris Testamenti (h\. iii). Eene reeks 
met afzonderlijken titel en twintig platen. De titel luidt : 

lcones illustrium fcminarum Veteris Testamenti a Philippo 
Gallaeo coUect» atque expressse^ a Cornelio Kiliano Dufflaeo versibus 
breviter explanatae. Ornatissimoe praestantissimaeque D" Pauliuae 
Schootae, D» Engelberti Masii, in summo Machlinice Consilio Consi- 
liarii 'prudentissimi, uxori charissimae, has IUustrium feminarum 
Veteris Testamenti icones Philippus Gallaeus officiose dedicat. 

De platen dragen de namen : M. de Vos invent. Joan 
Galle excud.y sommige Joan. Collaertsculp.y andere Adrian 
Collaert of Card de Mallery sculp. 

In eene tweede uitgaaf werden de platen te zamen 
met die der volgende reeks, drie op 66n blad, gedrukt. 

lllustres femince Novi Tesfamenti. Vijftien platen en 
een afzonderlijke titel. Deze luidt : 

lcones illustrium feminarum Novi Testamenti a Philippo Gallaeo 
coUectae atque expressae ; a Cornelio Kiliano Dufflaeo vcrsibus bre- 
viter explanatae. Dominae Margaretae Boogaerts, uxori chariss. D, 
Joannis de Drenckwairt, viri equestris Ordinis, Baronis de Dormalc, 
Praefccti Regiae Majestatis aerarii, has IUustrium fcminarum Novi 
Testamenti icones Philippus Gallaeus officiose dcdicat. 

De platen zijn onderteekend : M. de Vos invent., PU^ 
Galle cxcud., Joan. Collaert sculp. 



— XXV — 

Prophetie Majores etMinores Veteris Testamenti (hl. ii6). 
De afzonderlijke titel heeft voor opschrift : 

Icones prophetarum majorum et minorum Veteris Testamenti a 
Philippo Gallaeo collectas atque expressae, a Comelio Kiliano DUfibeo 
distichis breviter explanatae, mdxcuu. 

De koninklijke bibliotheek van Brussel bezit van deze 
reeks alleen den titel. 

Eene latere uitgaaf, waarvan de heer Ren6 della Faille 
een exemplaar bezit, heeft voor titel : 

Icones prophetarum Veteris Testamenti a Joanne Stradano deli- 
neatas, ajoanne Gallaeo excusas^ a Com.Gallaeo sculptae. Antverpias. 

In deze laatste uitgaaf bevindt zich de titelplaat 
op hetzelfde blad met de laatste plaat van Illustres femirue 
Veteris Testamenti, Verder staan telkens twee platen op 
66n blad, maar in plaats van 17 profeten, zooals in het 
handschrift der verzen, bevinden er zich in de reeks gra- 
vuren 26, waarvan de twee eerste en de zeven laatste in 
ons handschrift ontbreken, maar evenals de overige, met 
verzen voorzien djn. Misschien zijn deze negen platen 
later bij de andere gevoegd, en zijn de verzen niet van 
Kilianus. Wat er van zij, deze verzen luiden, letteriijk 
afgedrukt, aldus : 

MOYSES. 

Dux populi, legisque dator, quem regia virgo 
Vix natum rapido flumine forte tuHt. 

David. 

Jsaddum princeps ingentia colla gigantis 
Dissecui, et cecini facta stupenda Dei. 

Elisjeus. 

Est in me duplex Eliae spiritus, in me 
Est virtus chlamydis, qua reserantur aquae. 

III 



— XXVI — 



Elias. 



Israel, ipse ego, qu! currus, qui auriga^ pedvi 
iEtheris ignitis sidera celsa rotis. 

* Hanani. 

Asam corripui, confisum in arundine camis, 
In solo, dixi, fideret ille Deo. 

Nathan. 

Qpi reus unicas ovis, reus est (te judice) mortis, 
Tu, tu, vir ille es, tu quoque jure reus. 

Samuel. 

£t judex, vatesque fui, elatoque Sauli 
Nequicquam toties, optima verba dedi. 

Ahias. 

Uxor Jeroboam (qua non simulatior uUa) 
Ingredere, et larvas, dico, relinque tuas. . 

Gad. 

Elige vel bellum, pestemve, famemve tuorum, 
Grande fuit, populum te numerasse nefas. 

Christophorus Mysiicus (bl. 121). E6ne plaat : Joan. 
Stradanus inv., Car, de Mallery sculp,, Joann, Collaert exc^ 
Corn, Kil. Duff. Op den tweeden druk staat : Joan 
Stradan. invent.y PU^ Galle exc.y Corn. Kil. Dufji. 

Magdalena poenitens (bl. 122). E^ne plaat : PI^^ Galle 
excud.y Theod. Galle fecit. Corn. Kil. Duff. De opdracht 
luidt : 

Do Guilielmo Verwilt, lierbario peritissimo, artiumque omnium 
elegantium admiratori, Philippus Gallaeus amico suo L. M. dedicabat. 

Expostulatio Jesu Christi (bl. 126). E6ne plaat : Car. de 
S^allery fecit. 
V^ortis Agon (bl. 126). Vier platen : Joan Stradan, 



— xxyn — 

invent.j CaroL de Mallery sculpsit, Plf Galle excud. Corn. 
Kil. Duffi. 

Quinque sensus quinque animalihus attributj (bl. 128). 
Vijf platen : M. de Vos invent.y Adrian Collaert sculp. et 
exc. C. Kil. Duf. Eene latere uitgaaf heeft het adres : 
Car. Collart exc. 

Solitudo sive Vita feminarum anachoretarum (bl, 129). 
Afzonderlijk titelblad en 24 stukken. De titel luidt : 

Vedasto de Grenet, divi Bertini abbati, Arckae comiti, Poperingae 
domino, Martinus Vossius D. D. Solitudo sive Vitae Foeminarum 
Anachoritarum ab Adriano CoUardo collectse atque expressae, a Cor- 
nelio Kiliano DufHaeo carmine elegiaco explanatae. Joan Galleexcudit 
Antverpiae. 

De platen zijn onderteekend : M. de Vos invent., Adr. 
Collaert fecit et excud. Com. Galle en Jan Collaert sneden 
ook eenige nummers dezer reeks. 

Prosopographia (bl. 135). Afzonderlijke titel luidende : 

Prosopographia, sive Virtutum, animi^ corporis, bonorum extemo- 
rum, vitiorum et afFectuum variorum delineatio imaginibus accurate 
expressa a Philippo Gallaso et monochromate ab eodem edita : disti- 
chis a Cornelio Kiliano DufHaeo iUustrata. 

Onder een blad, voorsteilende eene vrouw, een paard 
naar de natuur teekenende, met een liefdegoodje nevens 
haar, onderteekend foan. Stradan, invent., foan Collart, 
sculp. Th. Galle excud., lezen wij het volgende verzen- 
paar, dat niet in ons handschrift voorkomt : 

Artis pingendi cupias si symbola nosse, 
Lector quae placeant sculpta tabella dabit. 

C. KU.'Duffl. 

Nog vinden wij doof hem onderteekend een versje 
als inleiding tot Ovidii Nasonis Metamorphoses. Antv. 
Plantin (1591). 



— xxvra — 

Ad Lectorem 

Pingunt pictores ; et fingtint multa poetas, 

Q)i£ licet indoctus ridicula esse putet ; 
Sunt tamen extra omnem cum primis seria ludum, 

£t dempto arcanis cortice plena sacris. 
Sic et in hoc nulla est Nasonis fabula libro, 

Qjix non delectet^ commoneatque simul. 
Sed quoniam vario capiuntur plurima sensu ; 

Arbitrio interpres sit sibi quisque suo : 
Dunmipdo probrosi procul absit fomes amoris, 

£t castae menti quidquid obesse solet. 

CoRN. Ka. DUFFL. 

Op het schutblad van het exemplaar der tweede uitgaaf 
van zijn Woordenboek, dat hij voor eene derde uitgaaf 
verbeterde, lezen wij de volgende verzen, van Kiels hand 
geschreven : 

Opinio qjjorumdam.de linguis. 

Hebraica Ortus proferat, 
Latina signet Occidens, 
Austerque Graeca denotet 
Septentrio Germanica : 

Ut hisce linguis quattuor, 
Sic quattuor mundi plagis,. 
Linguas plagasque caeteras 
Manare, sunt qui comprobent, 

C. KiL. 

Bij het sluiten dezer inleiding, is het mij een plicht 
en een genoegen den heer Ph. Rombouts, die het hand- 
schrift voor den drukker uitschreef, en prof. Roersch van 
Luik, die een der proeven overlas, mijne beste dankbe- 
tuigingen aan te bieden. 

Max ROOSES. 

Antwerpen, 6 October 1880. 



CORNELII KILIANI 



DUFFLiEI 



MISCELUNEORUM CARMINUM 



USBl DUO. 



Lectu non minus utiles, q,uam jucundi. 



HORATIUS. 



Omne tulit punctum, qui miscuit utile dulci, 
Lectorem delectando, pariterque monendo. 




TYPOGRAPHUS 



LECTORI CANDIDO S. D. 



Nacti nuper, forte fortuna, Comelii Kiliani Duffla^i Mis- 
cellanea Carmina, primo a nonnullis separatim impressa ; 
postremo autem in ordinem majori ex parte (a Petro 
Curtio) digesta, atque libris duobus distincta; viris 
doctis, studiorum liberalium, poesis, religionisque sinceras 
amatoribus, opusculum dedimus perlegendum, ut de 
materia, phrasi et carminis structura integre sincereque 
judicarent. Qui quum libro priore, profana, satyras in 
modum, non inepte tractari, vitia merito carpi, multa 
etiam ad rerum naturalium et poesis cognitionem 
spectantia docte explicari ; posteriore autem res sacras 
religiose ac pie conscribi, perspexissent; cannina im- 



— XXXII — 

pressione haudquaquam indigna judicarunt, imo operae 
pretium, si typis edi sedulo curarem, me facturum 
aflSrmarunt. Itague horum suasu, instinctu atque suffragiis, 
Miscellanea ha^c C. Kiliani Poemata pra^lo commissa 
in studiosorum tam rei sacras quam profanas gratiam 
edidimus atque pervulgavimus : quibus lector candide 
ut religiose, commode, utiliter ; festive etiam, jucunde, 
et hilariter uti ac frui possis, exoptamus, Vale. 



fdti iAl yitL 'dtiL yJbi yAa lit 'dtr tit MJtr tlr idbi lit dii^ tbt nkt. %kL idtr 



AD 



CORNELII KILIANI DUFFLiEI 



MISCELLANEA 



JOANNES ROMBOUTII 



EPIGRAMlifA. 



Ingenii partos quod dexteritate iabores 

Nuper, ad exactam jamnunc, Kiliane, reducis 
Normam^ carminibus miscendo laeta severis : 

Quis studium neget esse viri, cui Musa benignis 

Auris adflarit ? Tua Miscellanea namque 

Carmina si vigili secum quis mente revolvat, 

Accipiet monitis animum quo pascat avitis. 

Insigni primo cum tradas ordine libro 

Quasque profana, simul moralia dogmata; sacris 

Exornans gravitate pari cum laude secundum. 



i 



— XXXIV — 

Ergo pedes huc ferte alacres, queis relligionis 
Peaora amore sacris curae est intingere rebus. 
Et vos, quos potius juvat indulgere profanis ; 
Discite non promptas adeo dare taiibus aures 
Curis; ne veras pietatis acumine mentem 
Edocti formare minus, cum nulla salutem 
Tempora dilapsam tribuent, revocare putetis. 

34512 67 
Mora non vi obstes. 
321 s 6 487 



^M^i^tf^M^I^M^M^^^irfJ^ 



CORNELII KILIANI 



DUFFLiEI 



MISCELLANEORUM CARMINUM 



UBER PRIMUS, 



LUSUS IX EUROP^ XATIOXES. 

Lft:::!^TQtL 
^ ^kudun: srrmuiii -pxim: ixiaGaiJUt 



— 2 — 



Germanus superior sive Almanus. 

Laudator. 

Germanus comis, clemens, sincerus, honestus, 

Convictu gaudens, hospitibus facilis : 
iEquali sociis haustu mera vina propinat, 

Respondetque itidem munere, Bacche, tuo. 
Est lepidus salibus, Hngua facieque venustus : 

Arguta soUers dexteritate valet. 
Nil simulans, simplex et rectus, pectore apertus, 

Providus et prudens, consiUoque bonus. 
Morum etiam gravitate suos sic temperat actus, 

Ut praeceps levitas nil loci habere queat. 
Insignis bello ac armis, animoque viriHs : 

Audax atque alacris : servat amatque fidem. 

Calumniator. 

Ohe, laudator, virtutum encomia siste : 

Occurrit calamo fasx vitiosa meo. 
Germanus stupidus, simul inciviHs, ineptus, 

Moribus insulsus, torpidus ingenio ; 
Fronte ferox, ocuHs torvus, Hnguaque protervus, 

Brutus convictu est, hospitioque rudis. 
Ebrius insanit, bacchatur, fulmina jactat : 

Jurando c;tlum, terram, Acheronta movet. 



— 3 — 

Fallax, prsedator, latro,. furaxque rapaxque : 
Bellum cauponans belligerare nequit. 

Pr^lia detrectat conspecto protinus hoste : 
iEs, aes exclamat : mox fugit aere dato. 

Vina floces, oleumque fraces, paleasque siligo; 
Gignit et humanum turpia monstra genus. 

Germanus inferior, Teuto, Belga. 

Laudator. 

Teuto, vel inferior Germanus, Belgave, morum 

Cultura in primis poUet et ingenii. 
Hic opifex celebris toti spectabile mundo 

Omne opus assidua sedulitate facit. 
Huic animus docilis, promptus, subtilis, acutus ; 

Mensque sagax, velox ; ingeniosa manus. 
Pocula larga quibus cerebrum humectatque rigatque, 

Nescio id obtundant, exacuantne magis. 
Germanos multa veteres probitate fideque 

Qiiondam sectari non sine laude solet : 
Egregieque bonas florens exercuit artes, 

Dum stetit imperium, Carole Quinte, tuum. 

Calumniator. 

T e u t o Hispani Itali convictu denique Gaili 
Mutatus, foedis polluitur vitiis. 



— 4 — 

Hinc intestina discordans peste laborat, 

Et vix sedanda seditione pcrit. 
E patria profiigus ionginqua petit loca : et artes 

Et, quascumque potest, portat opes alio. 
Lassa sub Hispano ianguescit rege Philippo, 

Qjiae regnante potens patria patre fuit. 

Rectores nocuis mature occurrite turbis, 
Nulium deterius seditione malum. 

Gallus, Francus. 
Laudator. 

Gaiius seu Francus, toto notissimus orbe, 

Foedere, justitia, relligione, fide : 
Matemse cultor linguae, cultor peregrinae : 

Grandiloquus, constans, propositique tenax : 
Militia egregius, generoso stemmate clarus : 

Corpore et ingenio vividus ac vegetus : 
Dissimulat, simulat, quum tempus postulat aut res : 

Et connivendo plurima cautus agit. 

Calumniator. 

An Gallus tandem contemptor relligionis, 

Spretor virtutis, justiti^, fidei, 
Inconstans, vanus, simulator, dissimulator; 

Vindex crudelis, subdolus atque vafer ; 



Nominis et tituli tantum jactator inanis ; 

Praedo, stuprator, trux homicida, latro; 
Ostentum, ac toti monstrum mirabile mundo 

Fiet, et in vitii proruet omne genus ? 
O Franci, Franci, quae vos dementia adegit 

Regnum intestinis perdere dissidiis : 
Atque die divo qui festus Barthoiomaeo, 

Dedere crudeii millia multa neci : 
Et nulla aetatis, sexusve habita ratione, 

Sanguine civili commaculare manus? 
Post etiam Antwerpae populum emporiumque celebre, 

Foedere dirupto, turpiter opprimere? 
Creditis, insani, scelus ullum impune. relinqui ; 

Sonmiaque «terni judicia esse Dei ? 
Guisius in celebrem conventum a rege vocatus, 

Instinctu regis toUitur e medio. 
Rex idem Henricus paulo post insidiosi 

Occulto moriens ense cadit monachi. 
Sunt intestini dira haec stipendia belli, 

Justaque vesanae praemia perfidiae. 

Summus justitiam Judex exercet in omnes, 
Prospiciens oculis (cqua et iniqua suis. 



— 6 — 
Italus. 

Laudator. 

Italus eximio lautus cultusque nitore, 

Amplus, magnificus, splendidus atque gravis : 
Scrius et prudens, cum majestate severus : 

Viribus ingenii judiciique viget. 
Praeclare doctas studiosus percolit artes : 

Curae ilii virtus, gloria, reiligio. 
Impiger et praestans opifex : mercator honestus : 

Bellator summa strenuitate potens. 

Calumniator. 

Italus effrsenis, diraque libidine fervens, 

Nequitiie infandas audet inire vias, 
Impius, et superum contemptor, plurima grandi 

Fucosus loquitur verba supercilio : 
Vesano turget zeli fastusque tumore : 

Prava odii tacitus semina mente fovet. 
Vindictam differt ter denos ultor in annos; 

Sumere s.uppiicium si prius hora neget. 
Sectator scorti est, est et Ganymedis amator : 

Caetera consulte Musa tacenda monet. 

Sic rerum natura parens operatur in orbe, 
Q.UX fcrt terra bonos, ut fcrat illa malos. 



- 7 — 



HlSPANUS. 



Laudator. 



Hispanus fortis, constans, et fidus amico, 

Magnanimum sese munificumque probat. 
Diiuti parce deiibat pocula Bacchi : 

Fervida ne cerebro vina nocere queant. 
Ingenium nactus Natur^ munere acutum, 

Perfacile eximiis proficit in studiis. 
Oscula dat manibus, cliaros complectitur ulnis, 

Hectit honorificus cum gravitate genu. 
Tempia alacri Diviim gressu sacrata frequentat : 

Supplex ante aras vota precesque facit. 
Bello eques atque pedes velox, praedurus in hostem; 

Barritum pugnans voce boante refert. 

Calumniator. 

Hispanus saevus, failax, malefidus, avarus : 

Ut sese ostentet, multa superbus agit; 
Furfureo quum pane domi vescatur egenus, 

Sordeat et vacua pauper inopsque casa. 
Conviva, alterius se sumptu ingurgitat; et quam 

Esurie affecit, recreat ingluviem. 
Non artem exercet, non terram sulcat aratro : 

Accinctus gladio nobilis esse studet. 



— 8 — 

Hinc inculta jacent camporum millia passim, 

Atque deest vastis gnavus arator agris. 
Fur, latro, incestus, stuprator, turpis adulter; 

Quidquid agit, jactat nobilis acta viri. 
Corpore quos gestus, manibus quas basia prasbet ! 

Qpae flexis edit iudicra poplitibus ! 
iEdibus in sacris pierumque superstitiosus : 

Mente absens, vanas murmurat ore preces. 
Frontem, os, et pectus, ventrem, dorsum cruce munit : 

Insolitus Christi commeminisse crucis. 
In castris turbas ciet : et pugnare recusat, 

Hostem quum valida sentit adesse manu. 

Ut seges et lolium fiindo nascuntur eodem; 
Sic homo virtutis fit vitiique ferax. 

Anglus. 
Laudator. 

Anglus, sive Britannus, aquis terraque beatus, 
Corpore conspicuus, floridulus facie : 

Cultu, habitu nitidus : gestu, vultu generosus : 
Convictu iargus, dapsilis, atque hilaris : 

Ingenio soUers : cursu facilisque celerque : 
Arcu est praesignis : bellica ad arma citus. 

Calumniator. 

Anglus inhumanus, perversus, sasvus, iniquus, 
Pras se contemnit quosque, sibi ipse placet. 



— 9 — 

Proditor, inconstans, infidus, perfuga, furax : 

Perjurus, mendax : desidiosus, iners : 
Lurco, popinator, lauta et pretiosa ligurit : 

Sacchara dulcia edit, moUia vina bibit. 
Stupro et aduiterio ; nisi iege coercitus ; aegre 

Abstinet*: occuitis perpetrat ista dolis. 
Irrita vesanus praesagia mente volutat : 

Fatidicus vanis nititur auguriis. 

Hoc equidem in primis mirum dignumque rclatu : 
Non fert quadrupedes Anglica terra lupos. 

Ast vero hocce bipes homini lupus est homo tractu : 
Et plena est avidis Anglia tota lupis. 

Danus, Norvegus, Suecus, &c. 
Laudator. 

■ 

Danus, Norvegus, Suecus, Scandi simul omnes ; 

Atque aiii, regio quos Borealis habet ; 
Humanus, mitis, totus teres atque rotundus, 

Felle atro, et tacita fraude carens populus, 
Exercet duro fortissima membra labore : 

Vomere sulcat agros, ^quora nave secat. 
Auceps, piscator, venator sedulus, arte 

Captat aves, pisces, persequiturque feras. 
Non saevo infestum bello offendit prior hostem : 

Ut vim propellat, militia^ arma capit. 



— 10 — 



Calumniator. 



Dani, Norvegi, Sueci, Gothi, hoc genus omne, 

Cujus toto orbe est cognita barbaries ; 
Nil habet in gestu, Ungua, venerisve salisve : 

Rusticitas vasto corpore inepta patet. 
Non homines, mala monstra hominum septentrio gignit. 

Gens rabida, immanis, saevaque progenies. 
Hinc piratarum, latronum millia surgunt : 

Hinc sceleratorum sordid^ coiluvies. 

Septem harum Europae minus improba natio quas sit, 

Librare exacta si ratione velis : 
iEqua cum vitiis virtutes pende bilance; 

Examen, iector, spcrnere nolo tuum. 

EPILOGUS. 
Calumniator. 

Europae populos bonos probosque 
Obnixe simul hic velim rogatos, 
Ne, quidquid reprobis malisque dixi, 
Id dictum sibi censeant sinistre. 

Q.ui delicta hominum tacenda credit, 
Multum decipiturque failiturque. 
Ut pravum a vitiis pudor reducat, 
Sunt planis vltia arguenda verbis. 



— II — 
LUSUS IN SEPTEM ARTES LIBERALES. 

. PROLOGUS. 

Adsis magister artium, 
Opusculo rudi fave : 
Ut liberum sit ludere, 
Non usum, abusum carpimus. 

Artes LOGiCiE in. 
Grammaticus. 

Grammaticus graece, quod tractem grammata, dicor. 

Principium studii littera, gramma, mei. 
Syliaba subsequitur, coUectaque grammata nectit : 

His simul assumptis, dictio tota venit. 
Singuia per senos declincT nomina casus : 

Conjugo verba modis, conjugo temporibus. 
Denique multipiices sic construo et ordino formas, 

Ut nihil absurdi sermo referre queat. 
Artem scribendi recte, recteque loquendi, 

Quum fuerit magnas condere molis opus ; 
Res etiam assidui est, illam servare, laboris ; 

Dum vult arbitrio pergere quisque suo, 
Sectantur Plautum multi, plures Ciceronem : 

His nova, contra illis dictio prisca placet. 
Hinc tetricae lites, hinc grammaticalia bella. 

Bellamus verbis, sed sine verberibus. 



— 12 — 

Tallbus attritus noctesquc diesque palaestris, 
Nil nisi paupcriem concilioque famem. 

Fclix granmiaticus non est, sed nec fuit unquam : 
Haec norma, haec miseris regula grammaticis. 

DlALECTUS, LOGICUS, SOPHISTA, &C. 

Assecla Aristoteiis, logicus, dialecticus, idem 

Saepe argutator, saepe sophista vocor. 
Dissero, distinguo, definio, disputo, rixor, 

Affirmo atquc ncgo, partcm in utramque probo. 
Sunt genus, et species, substantia, et omne quod illi 

Accidit, in nostris prima elementa scholis. 
Tum subit in varias distincta oratio partes. 

Hinc Est et Non est, litis origo venit. 
Barbara, Celarent, similesque modi atque figurae 

Sunt concludendi qualibet arte viae. 
Si nihil haec prosunt ; praesto est fallacia, quae mox 

Concludat vafns Ergo Igiturque logis. 

Qiiisquis amas rerum veras cognoscere causas, 
Abstine ab argutis discere multa sophis. 

Orator, Rhetor, Causidicus, &c. 

Orator, rhetor, patronus, causidicusque, 
Olim sublimis nomina honoris erant. 

Nunc rabula, et fori hirudo, vulturiusque togatus, 
A vulgo opprobrii nomina iniqua fero. 



. — 13 — 

Eloquii virtus, persuadendique facuitas, 

H^c duo sunt nostraeiumina rhetoricae. 

Praxis re praestat quod mente theoria versat : 
Altera ab alterius non maie pendet ope. 

Artibus his pollenscausas ago, concito rixas, 
Et fora iitigiis repleo rauca meis. 

Accuso, defendo reos, in utrumque paratus. 

Fit bona muneribus, quse mala causa fuit. 
Jure cliens queritur; jus summum injuria summa est, 
Patronum manibus si quis adit vacuis. 

ArTES MATHEMATICiE IIII. 
MUSICUS, CrrHARCEDUS, TlBICEN, &c. 

Musicus et cantor, pandurista, et citharoedus, 

Tibicen, tubicen, cornicen et fidicen : 
Nos, pluresque alii ; quos omnes dicere, longum ; 

Voce, manu, flatu, carmina laeta damus. 
Tres claves, notae item bis tres ; elementa canendi ; 

Paeanem facili voce sonoque citant. 
Addunt ornatum mensura, valorque notarum : 

Suppeditantque melos maxima, longa, brevis. 
Auribus atque animis ut sit symphonia grata, 

Mensuras, modulos, postulat et numeros. « 
Nescio blandisonae musse, paeanque canorus 

Afficiant nostrum qua levitate chorum : 



— 14 - 

Qpa quoque sicca sitis cantorum guttura; quamvis 
Saepe rigata scyphis ; ariditate premat. 

Omnibus hinc mos est cantoribus, arida largo 
Confertim potu guttura proluere. 

Macte animo, potu quisquis paeana citabis : 
Vcrum mensuras transgrediare, cave. 

AlUTHMETICUS. 

Dinumero certis quodvis numerabile arithmis : 
Conveniunt numeris dinumerata suis. 

Addo, subduco, muitiplico, divido ; verum 

Omnem operam perdo. Res numeranda deest. 

Qiiisquis habet numos, usur^ et foenoris expers, 
Obtinet is numeros cum ratione pares. 

At sortem quicumque gravem cum foenore versat; 
liie licet numeret, nil numerare potest. 

Geometra. 

QjLianta geometricis sint corpora monstro figuris. 

Metior omne soium, metior omne salum. 
Id vero punctus non tantum et linea praestant : 

Ars etiam in sphaeris machinulisque sita. 
His, veluti normis, lata, arcta, alta, atque profunda 

Limito, distinguo, confero, adaequo, noto. 
Nulla geometriae divina scientia litis 

Semina, nil dubii dissidiiye parit. 



— iS — 

Si mihi pro voto quadratus circulus, atque 
-Squalis costas linea, nota forent; 

Et me metiri proprio modulo ac pede possem ; 
Arte mea similis dicerer esse Jovi. 

AsTROLOGUs, Genethliacus, Prognosta. 

Ardua stelliferi perlustro sidera caeli, 

Observo rutili fervida signa poli. 
Saturni, Jovis, et Martis, Solis, Venerisque, 

Mercurii, Lunae sidera in axe vaga ; 
Quaeque manent toto caeli agmine fixa; figuris, 

Signis, nominibus me mea Sphasra docet. 
Hinc ego quumjvasto quid agatur in «there spectem, 

Astrologi nomen vendico jure mihi. 
Nec modicum famas geniorum horoscopus addit : 

Inde genethliacus sumque vocorque levis. 
Stultaque quum stolido scribam prognostica vulgo, 

Prognostas vanis condecoror titulis. 
Qiiae supra me sunt c^li subUmia scnitor, 

NegUgoque id quod humi conspicor ante pedes : 
Unde amens, socors, nasis suspendor aduncis. 

Astra regunt pravos : vir probus astra regit. 

EPILOGUS. 

Haec candidb sic lusimus 
Et livido lectoribus : 



— i6 — 

Ut candido quod rideat, 
Sit livido quod frendeat. 



LUSUS IN TRES OPERAS LIBRARIAS. 

Typographus mercenarius. 

Arte mea varias excudo typographus artes : 

Ars tamen hxc tenues artifici dat opes. 
Rite characteres justis accommodo normis, 

Constet ut ex ^quis pagina versiculis. 
Incisas nigra fuligine tingo figuras : 

Callosa prselum volvo, trahoque manu. 
Ecce itejrum hesternus mihi adest labor actus in orbem : 

Quas struxi formas, destruo ; et inde struo : 
Diruo et aedifico ; vigilatas transigo noctes : 

SoUicitum cruciat cura, premitque labor. 
Verum quid prosunt curas, durique labores, 

Quum misero pateat semita nuUa lucri ? 
Noster alit sudor numatos et locupletes, 

Qui nostras redimunt, quique locant operas. 
Noster aUt sudor te, bibUopola, tuique 

ConsimUes ; quibus est vile laboris opus. 

Lex haec Fortunae, Jovis haec Fatique voluntas ; 
Qui semel est pauper, pauper ut is maneat. 



— 17 — 

Rem faciunt, opibus quicunque fruuntur opimis. 
Afilictis donas improbe pauca labor. 

CORRECTOR TyPOGRAPHICUS. 

Officii est nostri mendosa errata librorum 

Corrigere, atque suis prava notare locis. 
Ast, quem scribendi cacoethes vexat, ineptus 

Ardelio, vitiis barbarieque rudis, 
Plurima conglomerat, distinguit pauca, lituris 

Deformat chartas, scriptaque commaculat. 
Non annum premit in nonum, non expolit arte : 

Sed vulgat properis somnia vana typis. 
Qjiiae postquam docti, Musis et Apolline nuUo 

Composita exclamant ; ringitur ardeUo : 
Et quacumque potest sese ratione tuetur, 

Dum correctorem carpit, agitque reum. 
Heus cessa immeritum culpam transferre deinceps 

In correctorem, barde, typographicum. 
Ille quod est rectum non depravabit. At audin' ? 

Posthac lambe tuos, ardelio, catulos. 

Errata alterius* quisquis correxerit, illum 
Plus satis invidiae, gratia nuUa manet. 

BlBLIOPOLA. 

nie ego qui libros coemo, vendoque cogmptos^ 
Voce quidem Graeca bibliopola vocor. 



— i8 — 

Ad me concurrit morosa caterva sophorum, 

Et coemit sectae dogmata quisque suas. 
Seu sit Aristotelis sectator, sive Epicuri, 

Seu sit Pythagorae, sive Platonis amans : 
Nemo horum invisus nostras intrat limina portas : 

Nulli horum libros nostra taberna negat ; 
Si mercem care caram sibi comparet emptor ; 

Et largus pretium munifice numeret. 
Huc properate quibus distenditur «re crumena ; 

Et cerebrum variis atteritur studiis. 
Vobis res dabitur tenui mandata papyro : 

Vos nobis pera promite quam geritis. 

Qjiid sciolo prodest librorum multa supellex, 
Si neget auspicium dia Minerva suum ? 

Bibliopola quidem non mentis acumina vendit : 
Sed vendit cotes. His acue ingenium. 



ORTHOGRAPHIiE LATINiE aUERIMONIA. 

Olim orthographias causa Us nulla Latinis, 
Aut si parva fuit, parvo est finita tumultu, 
Dum patriam unanimes Unguam coluere periti ; 
Atque usum penes arbitrium, jus, normaque mansit. 

Nunc, ah nunc quam dira animis discordia gliscit, 
Postquam me nimio certatim ornare nitore 



— 19 - 

Perstudiosa cohors, votis contraria, coepit ! 
QuaB non arma malo sunt suppeditata furori ? 
Hic veteres magno lapides conamine profert, 
Marmoreas moles, cippos, pylasque volutat, 
Audet et intrepidus vastas motare columnas : 
Exesa ast illi est rubigine lamina prsesto : 
Bractea scabra aliis, numique ex aere vetusti, 
Membranae putres, maculis foedata papyrus, 
Et libri, quorum fiigientes litterae, et annis 
Extritse, ambigu^que not^, turpesque lacunis, 
Absurdo sensu, dubiis, mendisque redundant. 

Postquam adeo saevis coeptum est certarier armis ; 
Cordate a doctis mox interceditur : unde 
Gratia Tortelli merito tibi magna, deinde 
Et Despauterio, Vallae, Villichio, et Aldo, 
Nemio, et arte bonis, quotquot sunt, semper agetur. 

Hinc equidem certam coepi sperare quietem : 
Verum spes haec me, pacisque fefellit amantes. 
Namque animis haesit multorum prava simultas, 
Qui nova prsefracte meditando praelia, rursum 
Diram funesti praebent certaminis ansam. 

Tali autem satagens mature occurrere damno, 
Orthographos omncs obtestor et obsecro, pacem 
Anteferant bello, nec seditionibus instent : 
Et parvi faciant, insueto littera more 
Si toUatur ab his, aut adjiciatur ab illis, 



Muteturve frequens; eadem modo dictio constet. 
Accentus, apices, diphthongos, denique quidquid 
Esse supervacuum, parvique putabitur usus; 
Hebrseis, Graecis, quorum haec inventa, relinquant : 
Hisce nec utantur, nisi quum res postulat, aut quum 
Tollendi causa dubii, haerentemque juvandi 
Lectorem, in primis censebitur esse necessum. 

Haec sunt orthographos paucis quae scire volebam. 



BIBLIOTHECA. 

Sumptu me muho dominus studioque perornat, 

Ut sim cuha bonis bibUotheca Hbris. 
Spectatum admissus, probitatis munia servet : 

Ne quid deformet, surripiatve mihi. 
Ordine quaeque; videt quo nunc digesta; reponat 

Ne sint diversis post repetenda locis. 
Urgenti dominus si quicquam commodet, illud 

Integrum, ut accepit, non monitus referat. 
Si quaedam inveniet non prorsus grata palato, 

Judicioque minus forte probanda suo : 
Sese contineat placide : meditetur, inesse 

Saepe etiam scripiis turpia menda suis. 
Hanc quisquis legem contemnes, bibliotheca 

Abstine ab akerius : volve, revolve tuam. 






— 21 — 

SYMPOSIUM. 

PlUEPOTOR. 

Quam mea laetus teneo repletam 
Dextera dulci pateram liquore, 
Hancce compotor tibi, quantacunque est, 

Care propino. 

COMPOTOR. 

Qiiam tua laetus retines repletam 
Dextera dulci pateram liquore, 
Hla, praepotor, tibi sit saluti. 

Ebibe plenam. 

Prepotor. 

Strenue exhausi : nihil inde restat. 
Sume tu plenam : cape : ne recuses : 
Ceme spumantem. Quid adhuc moraris ? 

Impiger hauri. 

COMPOTOR. 

Ecce, respondi : vacuavi ad unguem : 
Offero siccam. Redeat frequenter ; 
Ut sitim pellat, relevetque mcestis 

Pectora curis. 



— 22 — 



GLORIA EXITIALIS. 

Quid gJoriaris in malitia, qui potens es in iniquitate ? 

PsaJm. LL 

SCORTATOR. 

In Venerem putris scortator, turpis adulter, 

Qiise te dementem corripiunt furia^ ? 
Obscoena extenuas stimulante libidine corpus, . 

Bubones, ficos contrahis et scabiem. 
Prodigus oblimas fcedo patrimonia luxu, 

Spurcitiis famam diminuisque tuam. 
Interea ut crebri coitus tibi gloria detur, 

Ostentas variis te furibunde lupis. 
Naturam multo teneram conamine tentas : 

Quumque parum prasstes, sistis anhelus opus. 
Vis tamen in Venerem miles non segnis haberi, 

Atque olidis celeber vivere fornicibus. 
Nescis quid scortum, pellex et pallaca quaerant ; 

Basia quo vergant et simulatus amor ? 
Amplexus meretrix moUes dat, et oscula figit ; 

Captet ut illecebris perdite amantis opes : 
Qjix simulac luxu absumptas, in nihilumque redactae ; 

IUico friget amor^ fitque odiosus amans. 

Providus ut vites scabiem, probra, pauperiemque, 
Consors una tui sit tibi cara tori. 






— 23 - 



POTATOR. 



Ingluviem jactare tuam ne crede deconim, 

Qiii multa ventrem colluvione gravas, 
Infundisque gulas certatim pocula, potor; 
. Strenuus ut bibulo conspiciare gregi, 
Utque avidum potu satures fervente barathrum, 

Indulgensque tuo, sis madidus, genio. 
Praedensis cerebrum, maie sane, vaporibus imples : 

Ipse adimis sensum, mentem animumque tibi. 
Invadunt saturum tenebrae, vertigo, stuporque : 

Et lingua, et titubant ebrietate pedes. 
Designare mali quidvis temerarius audes, 

Dum ratio, probitas, et metus omnis abest. 
Gloria quse tandem post pocula larga sequetur ? 

Quag turpis victor prsemia digna feres ? 
Gurges, lurco, nepos vesanus habeberis, atque 

Cordatis fies fabula ubique viris. 
Te rabies, febris, torpor, capietque podagra : 

Foede oculi lippo, tabe liquente, fluent. 

Denique profluviis ctim rem prodegeris omnem; 
Qiiod reliquum est vitae tristis inopsque trahes. 

Mendax. 

Mendax, impostor, nugator, frivole, fallax, 
Et confingendi mille perite modis : 



— 24 — 

Arte adeo ihsignis, res ut si seria poscat^ 

Nil bene veridicus commemorare queas : 
Mentiris, quoties tibi dicere vera videris; 

Veraque cum dicis, falsa referre putas. 
Fallis commentis alios et falleris ipse : 

Structorique nocet machina structa suo. 
Splendida fallaci decoras mendacia fuco, 

Et tibi plaudendi non levis ansa datur; 
Incautos videas si vanis credere nugis, 

Intentosque tuis ora tenere logis. 
Cautior at si quis tricis contraria dicat, 

Mendacemque probis arguat indiciis; 
Nulla verecundi facie das signa pudoris ; 

Sed dictis perstans, propositique tenax, 



Acriter obsistis : nulli vis cedere victus : 
Gloria ne palmag sit minus ampla tuas. 

Perge, age, mendaces inter celebrabere victor : 
Inter veraces, improbe, victus eris. 



ABUSUS MEDICINiE. 

Medicus iMPERrrus. 

En adsum Medicus, languenti optabilis aegro, 
Qiiem fluido vitse taedet in orbe suae. 

Nostra quid efficiat praesens medicina docebo, 
Et quibus excipiam corpora lassa modis. 



— 25 — 

Primo equidem quid agat saliens arteria scrutor : 

Admota pulsum palpo premoque manu. 
Tum vitrea soUers urinam specto matella. 

Fundus hypostaseos morbida signa refert. 
Hanc ubi perspexi, validissima pharmaca praesto. 

Mors homini est vaiidis acceleranda modis. 
Quid multis ? aegrum vexo, uro, secoque necoque : 

Sic demum aetemam consequitur requiem. 

Humano generi tabem interitumque parare 
Carnificem medicum mitia jura sinunt. 

Pharmacopola ineptus. 

Pharmacopola vocor, vocor idem pharmacopoeus : 

Pharmaca quod vendam, conficiamque simul. 
Simplicium nuUas fateor me noscere vires; 

Attamen antidotis misceo muha meis; 
Sint peregrina licet, surda aut evanida, cassa, 

Inveterata, oHdo putrida, senta situ ; 
Qiiaiia pyxidibus, capsellis condita, in usum 

Dives conservat nostra apotheca suum. 
Inde equidem ex medici praescriptis pharmaca promo : 

Verum illa ipsa meum tempero ad arbitrium. 
Si quidquam defit, sunt succedanea prsesto. 

Quid pro quo, simili substituo simile. 
Explorare doses, mensuras, pondera, ad unguem, 

Vanum et momenti nullius esse puto. 



— 26 — 

Si cesset natura, nihil medicina juvabit, 

Sit licet exactis illa parata modis. 
Nec magni facio, vivat, moriatur an aeger. 

Hinc medicum, non me, lausque probrumque manet. 

Insipiens quidquid delirat pharmacopoeus, 
Omnis in insontem culpa cadit medicum. 



ANIMALIA aUADRUPEDIA VIVIPARA 

VARIO CARMINUM GENERE DESCRIPTA. 

Leo. 

Rex leo quadrupedum, dominus princepsque ferarum ; 

In terris animal quo non generosius ullum ; 

Audax, crudelis, fervens, animosus et acer, 

Corpore robustus, colloque armisque jubatus, 

Pelle micans fiilva, villis horrentibus hirtus ; 

Cauda et fronte, animi rabidus dat signa ferocis : 

Aspectu torvus : visu speculator acutus : 

Somno oculis fruitur modico insidiosus apertis. 

Unguibus incidit, laniat, discerpit aduncis. 

Impastus fremit ac rugit; pastusque mbdeste 

Se gerit, innocuus bilemque iramque remittit. 

Junior impertit nactus senioribus escam ; 

Naturae instinctu doctus nutrire parentes. 

Nec minor in catulos amor est : quos pascere multo 



— 27 — 

Conatu gnavus studet, imbellesque tueri. 
Oblique ingreditur : varie vestigia ponit, 
Atque iter ad lustrum sollerti obliterat arte ; 
Abdita venator ne forte cubilia lustret, 
Praedaque ne catuli, carissima pignora, fiant. 
Magnanimus parcit prostrato, supplici, inermi; 
Signaque in imbellem generosi pectoris edit. 
Mirum equidem, quum sit praestantia tanta leoni, 
Qul fiat, galli ut cantum cristamque volucris, 
Et flammam, currus celeres, orbesque rotarum 
Currentes, nimia metuat formidine pressus. 
Scilicet id sapiens statuit natura, feroces 
Ut facili possint animi ratione domari. 

Elephas. 

Immensis elephas membris atque artubus ingens ; 
Rugosa, nigrante, rudi, crassa cute durus ; 
Dentibus est nitidus magnis, quorum duo, ductu 
Exserti longo, veluti duo cornua prostant ; 
His eboris nomen docti tribuere Latini. 
Longa vicem supplet nasique manusque proboscis. 
A capite ingenti pendet lata auris utrinque. 
Erecto placidum stans carpit corpore somnum. 
Occulte exercet venerem pudibundus honestam ; 
Vesani quanquam stimulis agitatus amoris. 



- 28 — 

Et stabula et muros fervente libidine stemat. 
Lascivus loro, fuste, esurieque domatur. 
Offensam meminit : tauro est hostisque draconi. 
Conspecto in furias agitur candente colore : 
Grunnitu pecoris perterreturque suilli. 
Corniger in primis aries rabidum domat : hujus 
Confestim adspectu placidus mitisque quiescit. 
Qiiin et formicas muresque, proboscidis antrum 
Ne morsu infestent metuens, formidat et odit. 
Exuta feritate, bonus, cicur, officiosus ; 
Unguenti et florum grato mulcetur odore : 
Ad cantum exsultat, pedibusque ad tympana plaudit. 
Turritus pedites fert dorso : tendit in hostes ; 

■ 

Proterit armatos, acies sternitque cruentas. 
Barrit, et horrendo terret stridore phalanges. 
Quadrupedes sensu, ingenio, supereminet omnes. 
Solem cum luna summo veneratur honore, 
Debilis, anttosus, lassusque a prole fovetur. 
Annos aetatem bis centum vivit, et ultra. 

Camelus. 

Densis hirta pilis, et pulla colore camelus, 
Membronim fortis compagine, robore firma, 
Cruribus et collo longa est, pedibusque bisulca. 
Felle caret ; vivax permultos transigit annos. 
Flexis se genibus submittit : pondera dorso 
Excipit ; adsuetis justum spatiis onus aequo 



— 29 — 

Fert animo ; ulterius vero portare recusat. 
Audaci tendit pugnax in prselia gressu : 
Horrendis irata modis stridetque fremitque. 
Naturali in equos odio fera et aspera saevit. 
Qam coit, et latebras ad opus veneris sibi quaerit : 
Incestumque fugit cum matre, sorore, nefandum. 
Condiscant homines casti exemplo esse cameli. 

Rhinoceros, sive Naricornis. 

Rhinoceros forma rictuque simiUimus apro, 
Comu munitus, summis quod naribus exstat, 
Contra hostem fortis vehemensque in pr^lia tendit. 
Est, elephanti instar, permagno corpore longus, 
Cruribus at brevior : crustis squamaque frequenti 
Compactus, jaculo aut hastas vix pervius ulli. 
Contra elephantum hostem decertaturus, acutum 
Ad saxum limat praelonga cuspide cornu : 
Mox petit hostilem, qua parte est mollior, alvum, 
Et valido laedit, discerpit, perforat ictu. 

MoNOCEROS, sive Unicornu. 

A cornu media quod fronte est, dicitur uni- 
comu, et idem cubitis aiunt extare duobus. 
Montibus in summis Indorum et rupibus errat, 
Bellua sasva, suo generi infensissima, quosvis 
Impetit infesto cornu, calce, ore, gregales. 
Corpus equi, cervique caput, caudamque habet apri 



— 30 — 

Floribus atque herbis vehementer gaudet odoris. 
Virginc conspecta, mansues mitisque, puella, 
Confestim accedit, propiusque quicscere gaudet. 
Fiunt e magno, quod gestat, pocula, comu, 
Dirum quae mira pellunt, virtutc venenum. 

Eauus. 

Fortis equus, sonipes, generosus, nobilis, audax, 

Corpore cum primis erecto, vertice grandi, 

Arguto capite, et lata cervice jubaque 

Promissa, densa ; solido clune atque rotundo : 

Utilis humano generi, tellurem arat, occat : 

Dorso onus impositum plaustrove, vehitque trahitquc, 

Bellator lato sese campo arduus infert ; 

Ad lituosque tubasque ferox, animosus et acer, 

Stare loco nescit, micat auribus, et tremit artus : 

Tellurem pedibus fodicans hinnit, fremit, urget : 

Talis equus summa celebrari laude meretur. 

Verum degenerans, mordax, duri oris, et asper, 
Calcitro et effrenis, sternax, pavidusque furensque, 
Invitus, segnis, morosus, difEcilisque 
Nil pr^ter scuticas, stimulos, calcaria, sperct. 

Eale. 

Est eale, instar equi fluvialis, corpore grandis : 
Caudam elephantis, apri maxillas ; cornua longa, 



— 31 — 

Quas cubiti superant mensuram, habet; h«c movet; his se 
Deflexis partem in quamvis, pugnando tuetur. 

POEPHAGUS. 

Duplo major equo facile esse poephagus, atque 
Herbas, instar equi, pascendo carpere passim, 
Aque herbarum esu nomen sumpsisse videtur. 
Hunc caudas tantum causa sectatur avarus 
Venator : qu« quum setis setilibus, atris 
Praecipue, mulier pulchre quibus Indica crines 
Implicat omatos, sit plena; fit ut sibi mercem 
Comparet hanc magno formae studiosa puella. 

ASINUS. 

Est asinus stupidus, rudis ; ignavusque pigerque, 
Incessu tardus, si plagae et verbera desint. 
Robustus, firmus, patiens famis atque laboris : 
Lenis, mansuetus, placidus, mitis, facilisque : 
Demisso timidusque animo : flava sine bile 
Pacis et otii amans : neque bella neque arma moratur. 
Clitellas pandus multo cum pondere gestat. 
Restitat, et crebro lascivus calcitrat ictu. 
Esuriens fustes contemnit, verbera perfert : 
Nec prius e pastu discedens pabula linquit, 
Quam sese foeno, stipuHs, culmisque replerit. 
Tunc lento incipiens demum prorepere passu, 
Arrigit oblongas auditu acerrimus aures; 
Ore rudit, rauca testatur gaudia voce. 



— 32 — 



MuLds. 



MqIqs clitellas plenimque et ephippia gestat, 
Ex eqoa et ex asino, natara operante, creatos, 
Hinc otriosque refert formam moresque parends. 
Est lento tardus gressu, sed viribus ingens : 
Pando portat onus, quantum vis prsegrave, dorso : 
Arva etiam solitus quondam proscindere aratro. 
Longasvus vivit : sed odorandi quia pollet 
SensUy pesdfera facile aeris inficitur vi ; 
Atque immatura nonnunquam morte recedit. 

Onager & Lausio pullus. 

Graeca onager sumpsit qui Gra^cum ab origine nomen, 

Et dictus Latiis, asinus silvester, agrestis : 

In calidis vitam degit regionibus ; atque 

Laetis, quas tellus fert dives, pascitur herbis. 

Dum tener est pullus, nomenque lalisio, servat, 

Dicitur esse boni, coctus, gratique saporis : 

At senior factus, stomacho fastidia gignit. 

HlNNUS SIVE HlNNILUS & BuRDO. 

Pumilus ex equo et ex asina progignitur hinnus : 
Inde solet nanus, bigenerque, nothusque vocari. 
Hic plerumque asin^, sed equi fert burdo figuram : 
Ex equo et ex asina quum sit generatus uterque. 



— 33 — 

Cervus. 

Est cervus simplex, expers fraudisque dolique : 
Imbellis, placidus, timidus , levis : attbniti instar 
Sa^pe stupens restat, reque obtutu hseret in una. 
Camosus facie : simus naso : auribus, acer 
Auditu, arrectis; demissis, tardius audit. 
Visu, oculis magnus, longe prospectat acuto. 
Comibus excelsus ramosis : quae quia molli 
E cute nascuntur, neque duris ossibus ha^rent, 
Decidua amittit jucundo vere quotannis. 
In Venerem eflfrenis vehementi sa^vit amoris 
Vi, mense Augusto : pro cerva pugnat, et hostem, 
Non sine vulneribus, rivalem vincere tentat. 
Caudam habet exiguam : tenera atque exilia crara, 
Ad celerem, quoties opus est, aptissima cursum : 
His fidens fugit ora canum : lassatus aquarum 
Ad fontes properat gelidos : vaga flumina tranat : 
Atque citus casses, laqueos, venabula vitat : 
Qjiamvis sese homini saspe absque metu offerat ultro, 
Oblitusque sui, dulcis modulamine cantus, 
Vel stupido mirans quaecunque sibi obvia sensu, 
Incidat in foveam venantum indagine falsus : 
Aut vitam amittat jaculis conflxus acutis. 
Puniceam adspiciens pennam formidat : et aegre 
Gannitum astutae vulpis, perterritus, audit. 
Horrificum infesto serpentem devorat ore, 
Inde fit ut vulgo longaevior esse putetur. 

3 



— 34 — 

tf 

HlRCOCERVUS Sive TRAGELAfHUS. 

Compositum ex hirco et cervo, a Latiis habet hirco- 
cervus, translatum Graeco de nomine nomen. 
Longos gutture enim atque armis villos habet, hirci 
Instar : sed crassi specie sunt caetera cervi. 

Rangifer, Raingus sive Cervus Scythicus. 

Rangifer, aut Scythicus, noto cognomine, cervus, 
Lapponum genti vario percommodus usu, 
Est asino similis : cervi instar cornua gestat : 
Vincit equum cursu : forti fert pondera dorso, 
Et curru traheaque vehit : glaciesque nivesque 
Acriter adstrictas brumali tempore calcat. 
Ubere repleto turgescens foemina, lactis 
Ubertim dulcis mulgenti alimenta ministrat. 

Alce sive EauiCERVUS. 

Alce animal, multis equicervus dicitur, ut quod 
Inter equum cervumque genus medium esse putetur. 
Est cursu velox, timidumque, sagax, et odorum. 
Crura sine articulis praelonga habet : his iter ingens 
Conficit accelerans. Si caespitet et cadat, a^gre 
Erigitur per se, cum flecti crura recusent : 
Hinc fit ut arboribus sese applicet, atque ita somnum 
Paulum inclinando capiat : si concidat arbor. 



— 35 - 

Concidit ipsa simul fera, humique immota recumbens 

Fit venatori summo discrimine praeda. 

Decidua amittit^ cervi instar, cornua sponte. 

Deliquium, et morbum patitur persaspe caducum. 

Alcis thoraces densata ex pelle parantur, 

Qjiae pluvias, gladiorum acies, et spicula sistunt. 

TlGRIS. 

Bellua crudelis, saeva, indomita, aspera, tigris, 
Et furibunda, ferox, trux, pernix, corpore firma, 
Vi simul et cursu superat genus omne feraram : 
Saepe elepliantem ipsum violento robore vincit. . 
Dicitur in primis similis torvae esse le^nae : 
Sed varia, virgis distincta, versicolore 
Pelle decora, feras specie sic praestat et anteit 
Insigni reliquas, plumis ut pavo volucres. 

Ursus. 

Ursus (turpe animal, pituita, humore redundans, 
Pondus iners, crassum) confidens viribus, audax, 
Astutus, s^vus, multa feritate malignus ; 
Intrepide aggreditur cervum, tauramque suemque, 
Oblongo horribiKs rostro, dentatus utrinque ; . 
Unguibus armatus, mordet laniatque valenter. 
Deglutit carnes, mel et herbas, arboreosque 



-36- 

Fructus : non sorbet, sed aquas vorat ore cruento. 
In venerem fervetque fiiritque libidinis a^stu. 
Qiios genuit catulos lambit, lingendoque massas 
Informes format, gremioque tepente focillat. 

Vacca. 

Adspectu genefosa vacca torvo : 
Compacto bene corpore atque opimo : 
Lata fronte; nigrantibus, politis, 
Planis comibus : auribus pilosis : 
Sub mento palearibusque longis : 
Non lato pede : crure nec minuto. 
Hujus si ubera lacte plena pingui, 
Bis mulctralia repleant die omni, 
Bos ha^c fcemina jure erit probanda : 
Hanc ne pascere desinas colone. 

Bos. 

Bos torvus, cerebrosus efFerusque, 
Rpbustis-validus potensque membris : 
Castratus ; genitalium remisso 
Pruritu ; placidus fit, atque pinguis. 
Mansuetus juga ferre non recusat ; 
Et terram patiens arando versat, 
Aut gressu traliit essedum modesto. 
Mactatur senior labore fractus, 




— 37 — 

Ut fiat tenui cibus colono : 
Verum junior et laboris expers 
Est lautas magis utilis culinas. 

Taurus. 

Dux taurus pecoris, juvenca^ amator ; 
Vaccarum, coitu potens, maritus : 
Lascivus, petulans, procax, petulcus : 
Firmus corpore, viribusque fortis : 
Bellator ferus, et furens, et audax, 
Fronte et cornibus impetit valenter : 
Rivalem fiigat impotentiorem : 
Mugitu nemora implet et boatu. 
Solus foemineo gregi placere, 
Armento studet imperare solus. 
Aptus currui, et aptus est aratro : 
Mactatusque fit esca grata ventri. 

Urus. 

Urus tauri equidem refert figuram; 
Qiiamvis ferme elephantis instar ingens ; 
Degitque Hercynias in locis opacis 
Silvae : agrestis et efierus, nec arte 
Nec vi, nec violentia domatur, 
Nec conspecto homini, feras nec uUi 
Parcit : mox etenim insequi assequique 
Cursu perceleri potest fugaces. 



-38- 

Hinc fit quo minus impetu prehendi, 
Sed tantum foveis queat dolosis, 
Venantumque agili manu necari. 
Hujus cornua longa et ampla, mensis 
Potu conveniunt referta opimis. 

BUBALUS. 

Torvi bubalus est bovis propago, 
Crassus corpore, perniger colore, 
Prasdurus cute : fronte crispus, asper, 
Perplexusque pilis : brevi domatur. 
Fixo naribus annulo tenetur. 
Mansuetus placide subit labores : 
Nisu maximum onus trahit potenti : 
Currum ducit : arat, colitque terram. 
Fit rubri intuitu ferox coloris : 
Irritatus atrociter resistit : 
Conculcat pede et ungula id quod odit. 
Inflexis enim et ad nocendum ineptis 
Frustra cornibus impetum minatur. 
Mactati caro nec sapore grata, 
Nec vescentibus est salubris esca. 
Diro comua et ungulas mederi 
Spasmo, vera frequensque fama vulgi est. 
Et pellem impenetrabilem, terique 
Non valde facilem, usus ipse monstrat, 
Qiia se miles et induit viator. 



— 39 — 

BlSON. 

Est deforme animal bison, ferumque, 
Silvestri genere ex boum, figuram 
Quamquam cervi habeat, jubamque coUo 
Prolixam gerat, horreatque villis. 
Hunc accedere praecaveto : cornu 
Namque uno a media quod extat inter 
Aures fironte, ferit quatitque saevus. 

BONASUS. 

Taurino capite est ferox bonasus, 
Verum corpore equino, et ampliore, 
Armorum tenus admodum jubato : 
Dura pelle, pilo obsitaque fiilvo : 
Mugitu similis bovi boanti. 
Pugnae haud utiUa, inque se recurva 
Gestat cornua, multo adunca flexu : 
Crura hirsuta habet, et pedes bisulcos. 
Mactandum; caro delicata quum sit, 
Venator studet insequi bonasum : 
Verum, ne fiigientis inquinetur 
Fervente et liquido fimo, cavebit. 

Tarandus. 

Cervo persimilis caput tarandus, 
Gestat comua lata, plena ramis : 



— 40 — 

Est magnus bovis instar, instar ursi 
Villosus : quoties libet colorem 
Mutat; fit viridis modo, modo albus, 
Mox flavus, ruber, et subinde fuscus, 
Vertens in varias pilos figuras, 
Ut venantum oculos manusque fallat : 
Murini proprie est tamen coloris. 
Thoracem sibi comparat tarandi 
Ex dura impenetrabilique pelle 
Miles, spicula quo repellat ensis. 

Lupus. 

Lupus vorax, agrestis, immitis, ferus, 
Cruentus, asper et rapax; simillimus 
Cum sit cani, silvester est dictus canis. 
Amplissimo rictu, ore diducto minax : 
Collo brevis pressusque : rigidus corpore, 
iEgre potest, quoquo velit, se flectere. 
Nocte acer; ast obtusus est visu, die. 
Si forte quemquam adspexerit hominem prior, 
Hunc, voce adempta, mox velut mutum facit. 
Fit ipse, visus ab homine prior, debilis. 
Urgente saevit et furit ferox fame : 
Dirissimis ululatque atrox clamoribus. 
Terram vorat, praedam invenire si nequit. 
Escarum odores percipit longissime. 



— 41 — 

Praesepe, ovile, pascuum frequens obit; 
Irrumpit, invadit; pecus mordet, vorat. 
Pelles, pilos, et ossa glutit integra, 
Eademque non concocta, sed cruda egerit. 
Proreum satur, mansuetiorem se exhibet. 
Cantu fiigatur, atque tympani sono, 
Dum nec sagittas, nec timet venabula. 
Annosus, atque aetate plurima gravis, 
Edentulus, premente deperit fame, 
Cum desit et quod, et simul quo mordeat. 

Lynx, sive Lupus Cervarius. 

Lynx, seu lupus cervarius, felem modo 
Qiiodam refert, facie atque acutis unguibus. 
Alacris est, capite rotundus ac brevis, 
Oculisque blandus suaviter fulgentibus. 
Est corpore ipso longior quidem lupo, 
Non cruribus : visu est acuto perspicax. 
Est tergore maculis refertus splendidis, 
Pulchreque distinctis nitet coloribus. 
Astutus et velox agillime pecus 
Indagat et venatur, enecat, vorat. 
Saepe arbore adscensa latet, mox desilit 
In transiens quodcunque, pernix, quadrupes, 
Stratas cerebrum devoratque bestise 
Majoris, intactas relinquens cseteras 



— 42 — 

Partes : minorem absumit actutum integram. 
Nec bestias solum, sed et homines necat. 
Venator ut magnatibus gratissima 
Ex pelle, opimum comparet sibi lucrum, 
Sectatur hanc sunmio feram periculo. 

Hy^na. 

Hyaena fallax Africae terram incolit. 
Est corpore haud minor lupo : juba quidem 
Equi instar ; at dorso hispido durissimis, 
Ut sus, riget setis : die parum videt 
Clara, sed atra est nocte visu acerrimo. 
Mutat vafre sui colorem corporis : 
Si mas modo, altero fit anno foemina. 
Cani et homini malos struit fallax dolos. 
Vomitu atque singultu canem humano allicit ; 
Vocem improbo mentitur ore : improvidus 
Tangens hyaenae umbram canis, mutus tacet, 
Et perdita latrare voce dum nequit, 
Ab hoste deglutitur immanissimo. 
Quin et hominem incautum dolis circumvenit, 
Et mente privatum ac stupentem devorat. 
Mirum quidem, teterrimae atque pessimae 
Hujus ferae pellem, medullam, sanguinem, 
Fellem atque lumbos, et lienem, ipsam quoque 
Carnem, mederi posse morbis pessimis. 



— 43 — 
Crocuta . 

Crocuta fallax, callida, immanis, ferox, 
Nata ex hya^na et ex le^na, immitibus 
Feris, feram se maxime et diram exhibet. 
Utraque in oris parte perpetua acies, 
Dens nempe continuus et amplus, attamen 
Gingiva prorsus nuUa cui dens h^reat. 
Densum in nemus se fraudulenter occulit, 
Et vafra vocis edit humanae sonum : 
Appellat hominem, nomine, ut notum, suo ; 
Invadit incautum, necatque mordicus. 

Leucrocuta. 

Est Leucrocuta cum crocuta idem ferae 
Genus, asinum refertque magnitudine : 
Collum leonis, pectus et caudam ; caput 
Autem cameli, orisque aperturam tetri 
Aures adusque; dentium vero vice 
Os asperum et perpetuum habere dicitur. 
Voce, ut crocuta, fallit hominem, et devorat. 

Thos. 

Thos eflferum est lupi genus, natum ex lupo 
Et pardali, supra modum, curtis licet 
Sit cruribus, velox : leones et canes 



— 44 — 

Ferox et audax impetit, victos necat : 

Sed diligit hominem*, atque contra hostem adjuvat. 

iEstate nudum, at hyeme corpus hirtum habet. 

GULO. 

Gulo, gula et voracitate plurima 
Septentrionis optime notus locis, 
Dirae atque callida^ est hya^nae congener. 
Felem refert forma feram plane truci : 
Justa canem refertque magnitudine. 
Inventa glutit quaelibet cadavera, 
Ventremque replet tympani inflatum modo, 
Extensus et multo tumens ample cibo 
Angustiam inter arbores quaerit duas ; 
Has inter irrumpit, ventremque arctissime 
Stringit ciborum mole multa turgidum ; 
Ingesta vi, vi maxima ut sic egerat. 
At stercore ejecto, ad cadaver mox redit : 
Qjiantum potest, inanis, ut prius, vorat : 
Angustias rursum petit, foetensque onus 
Protrudit excernitque : et id creber facit, 
Donec vorax cadaver omne absumpserit. 
Venator hunc sclopis et arcubus petit, 
Non carnis, at pellis placeritis, gratia, 
Qjiae scutulatis splendida est coloribus, 
Et divitum vestitui percommoda. 



— 45 — 

Pakthera, Pardus, Leopardus. 

Panthera Pardalisve sexu foemina, 
Pardusque mas, statura uterque corporis 
Non altior, sed longior quidem cane, 
Felem tamen magis, minus canem refert. 
Ungues aduncitate habet perhorridos. 
At pardalis, quam pardus, est ferocior. 
Ad sanguinem praeceps, rapit, vorat feras, 
Easque saltu intercipit celerrimo, 
Velocitatis tantae, aves ut involet. 
Odore pellis naribus gratissimo, 
Visuque maculis plurimis spectabili 
Invitat allicitque agrestes bestias, 
Mox subdole occulteque prensas devorat. 
Fallaciis persaepe simias capit; 
Has dentium unguiumque mucrone enecat, 
Et delicatas inde conficit dapes. 

Leopardus ejusdem quoque esse originis, 
Prognatus ex pardo et leaena dicitur. 
Alunt propaginem hanc ferissimam Africa, 
Terraeque multis fervidae caloribus. 

Sus. 

Sus hispidus, brutus, luto atque stercore, 
Ficu, piro, glande, hordeo, radicibus, 
Faba, rudique furfiirum gaudet cibo. 



-46- 

Fasces lubens, aquasque turbidas bibit. 
Immundus et foedus, sagina hujusmodi, 
Turpi otio, somnoque inerti pascitur. 
Gignit frequenter fervidus iibidine, 
Creberrimoque fcetu hero fert conmiodum. 
Sed quum labore, lacte, nil prorsum juvet; 
Pinguis, saginatusque mactari solet : 
Hinc grata lardi, abdominis, farciminum, 
Lucanicarum, apexabonum copia. 

Aper. 

Agrestis eflFerusque aper sus, horridis 
Colore nigricante setis hispidus, 
Acerrimas ad audiendum aures habet. 
Ferventis igneaeque naturae, furit . 
Saevitque tempore improbae libidinis. 
Spumam ore fundit, frendit, atque dentibus; 
Quos rostro utrinque ostentat exertos atro; 
Stridet, crepat, mordet, trahitque asperrimis. 
Venantium telis resistit acriter. 
Repellit audacissimos audax canes : 
Rumpit plagas, et densa quaevis retia : 
Nec absque venatoris ingenti cadit 
Occiditurque pertinax periculo. 
Mactatus, et coctus probe, a coquo simul 
Conditus, est cibus gulae gratissimus. 



— 47 — 

Quin et jecur, fel, pulmo, adeps, axungia, 
Et ungulae morbis medentur plurimis. 

Canis. 

Canis fidelis est hero comes suo. 
Sincere amat notos sibi, et domesticos. 
Qiias incolit, custodit aedes sedulus. 
Fures latratu nocte prodit pervigil, 
Arcetque herili incognitos a limine. 
Multa eruditus discit adsuetudine. 
Artem facit solers citusque ludicram. 
Auras sagax venando captat naribus : 
Lustrat ferarum ocissime vestigia, 
Captasque venatori hero defert feras. 
Pugnax tuetur mordicus se dentibus. 
Qiiam concipit cito iram, eam ponit cito. 

Castor sive Fiber. 

Castor, fiber, seu ponticus dictus canis, 
Terris aqiiisque vitam agit : simillimus 
Lutrae, licet cauda evidenter differat 
Larga atque longa, piscis instar squamea, 
Qjia, quolibet, natans aquas, se dirigit; 
Dum piscium sectatur et capit genus. 
Ripae in cavernis delitescit herbidae. 



-48- 

Firmis, aduncis, atque longe exstantibus, 
Latis, retorris, horridisque dentibus 
Sese acriter defendit, arbores secat, 
Pinguisque succi cortices mordax edit. 
Mollissimus peile, et pilo pulcherrimus. 
Pellis quidem, caudae, atque testium studet 
Causa insequi venator acer castorem : 
Pelle ut tegatur, caudam edat, testes bonis 
Ut misceat loco medel^ pharmacis. 

LUTRA. 

Lutra, est fibri genus, minor tamen fibro, 
Caudaque differens : aquaticus canis 
Dictus, quod ut terras, aquas sic incolat. 
Mordax acutis dentibus, pisces edit, 
Et cortices, fiiictusque dulces arborum. 
Pulcherrimis pellem pilis perdensam habet 
MoUissimisque, vestium oris congruam. 
Offendit autem odore nares foetido. 
Et frigida, et parum salubris est caro. 

HlRCUS, CaPER, HiEDUS. 

Hircus caprarum corniger 
Maritus, atque dux gregis, 
Procax, petulcus, pruriens 
Et fervidus libidine. 



— 49 — 

Fronte acer et minax truci, 
Duris potensque coraibus, 
Hostem impetit, sterait, ferit, 
Pugnaxque capras protegit. 

Villosus, asper, horridus, 
Odore tetro foetidus, 
Barba superbus hispida, 
Gestit gregem praecedere. 

(Estro furens libidinis 
Orbatur hircus testibus, 
Et eviratus fit caper, 
Haedus fuit qui junior. 

Capra. 

Capra hirta, olens, barbatula, 
Lasciva, sima naribus, 
Gregem antecedit post caprum, 
Praebetque se spectabilem. 

In montibus rubos, vepres, 
Virgulta carpit dentibus : 
Hinc lactis ingens copia 
Pleno redundat ubere. 

Caper, capra, hsedus et simul 
Hoc omne cornutum genus 
Morbo caduco et febribus 
Obnoxium esse dicitur. 



— SO — 
Ovis. 

Ovis decoro vellere, 
Dcnsoquc lanae tegmine, 
Contra nivcs, imbrem, gelu 
Munita, vitam transigit. 

Imbellis, et lenis, metu 
Cito timens percellitur : 
Stupens, inepta moribus, 
Amentis instar haesitat. 

Balat, vagatur, ruminat : 
Radicitusque herbas comest : 
Quascunque mordet dentibus 
Plantas et arbores necat. 

Sed damna quanquam stirpibus 
Plantisque plurima inferat ; 
Est usui summe tamen 
Et commodo mortalibus. 

Lac praebet et carnem esui, 
Lanam atque pellem amictui 
Humano : et agris insuper 
Laetamen adfert utile. 



ARffiS & Vervex. 

Bellator aries strenuus 
Ovium vir, et ductor gregis, 



— Si — 

Procerus, altus corpore, 
Longoque tectus vellere. 

Intorta gestat cornua, 
Amplis vigetque testibus, 
His pruriens oves init; 
Rivalem at illis impetit. 

Q.uamvis gregem admissarius 
Implere solus haud queat; 
Non fert tamen marem exterum 
Inire oves quas ductitat. jj' 

Heus, heus, coniscatUm satis, 
Libidinatum, aries, satis : 
Ni desinas, castraberis, 
Vervexque fies debilis. 



Oryx. 

Silvestris est oryx capra, 
Verso ad caput pellis pilo, 
Contra atque caeteris dedit 
Natura prudens bestiis. 

Excelsa, dura, acuta habet 
In fronte ssevus cornua, 
Fortem quibus leonem, aprum, 
Ferasque plures impetit. 



— s^ — 

Camelopardaus. 

Mixtam camelopardalis, 
Pecus licet non sit femm, 
Partim cameli et pardalis 
Figuram habere dicitur. 

Instar cameli enim caput, 
Et sunt pili instar pardalis, 
Crura et pedes instar bovis, 
CoUumque equi simillimum. 

Est floriduK pellis color, 
Maculisque pulcher plurimis, 
Natura quas potissimum 
Albo rubroque miscuit. 

Bina eminent, aures prope, 
Utrinque recta cornua; 
His nec ferit, nec impetit, 
Nec se nimis trucem exhibet. 

Sunt qui camelum hanc indicam, 
Sunt qui feram vocent ovem : 
Sic non satis notae rei 
Diversa dantur nomina. 

RUPICAPRA. 

Rupicapra silvestris, fera, 
Minoris est genus- caprae, 



Pellis colorem saepius 
Mutat per anni tempora. 

Montes et arduas colit 
Rupes : petit cacumina 
Excelsa : de petra in petram 
Velox repente transilit. 

Adunca gestat comua, 
Exasperata circulis : . 
His se tenet, per montium 
Devexa ne praeceps cadat, 

Sibi timens, venantium 
Sclopos eanesque dum fiigit, 
Perniciter concunrere 
Qjios visu acuto prospicit. 



DoRCAS, Capreolus, Caprea. 



Dorcas, capreolus, caprea, 
Diversa sunt haec nomina, 
Sed indicant parv^ et fer^ 
Unum atque idem genus caprae. 

Ramosa huic sunt comua, 
Celerrimi ad cursum pedes : 
Pulchra atque acuta lumina : 
Et optimi succi caro. 



Ibix, Capricornis, Capra montana. 

Silvestris est ibix capra, 
Qjix capricomis et capra 
Montona, non incongruo 
Passim vocatur nomine. 

Haic sit licet cervo minor, 
Forma tamcn diflfcrt parum : 
.Fert vasta, nodosa, aspera 
Magnx^quc moiis cornua : 

Qxxx cursui quidem nihil 
Obsunt, cclcrrime Alpium 
Et cxtcrorum montium 
Dum summa pervolat juga. 



Dama. 



Velox, levis dama, et pavens ; 
Agrestis est genus caprae ; 
Munita latis cornibus, 
Cervi licet minoribus, 

Haec prorsus haud cum sit fera, 
Mitis cito fit et cicur. 
Cajsae caro succi boni, 
Salubris cst vescentibus. 



— 55 - 

MOSCHI CAPREOLUS. 

Moschi capreolus, dorcadis 
Seu capreae ferum genus, 
Velocitate sic viget 
Raro capi ut vivus queat. 

Binos acuta cuspide 
Infra et'supra dentes habet : 
Differtque solum a dorcade 
Pilis, odore, dentibus. 

Pus umbilico projicit 
Et faeculentum sanguinem : 
Hinc moschus admodum bono 
Fragrans odore provenit. 

Felis zibethi. 

Felis zibethi, grandior 
Fele, ast feli simillimus : 
Truci ore, acutis dentibus, 
Pelle maculosa et aspera, 

Ferum quidem atque atrox genus, 
Edit nihil crudas nisi 
Cames : nemu^ densum incolit : 
Hic quos vorat, mures capit. 

Qiii manat ejus testibus 
Zibethus est dictus liquor : 



Odore gratus naribus. 

Lepus. 

Imbellis lepus est, tacitus pavidusque timore, 

Tremens, fugax, vagus, levis, velox pedc : 
Callidus atque sagax : villosus : corpore parvus : 

Sublimus autem, magnus, acer auribus. 
Est oculis glaucus, longeque exstantibus amplus : 

Difiuso hebes visu licet caecutiat. 
Non oculis dormit clausis : speculatur apertis, 

Dum membra somno conquiescunt caetera. 
Expositus praedae, vulpem timet, atque rapaces 

Feras, aves, canes, plagas venantium. 
Cumque sit incerti, modo mas, modo foemina, sexus ; 

Gignit, parit, crebro superfoetat lepus. 

CUNICULUS. 



Gaudet in effossis habitare cuniculus antris : 
Simillimus forma et pilis lepusculo. 

More superfoetat leporis : timidusque cavemis 
Sese occulit, ne praeda fiat hostibus. 

At frustra latebras, spelaeaque quaerit opaca : 
Frustra fodit, cavosque agit cuniculos. 

Vestigator enim tenuis subit antra catellus, 



— 57 — 

Sagacibus captans odorem naribus : 
Furo quoque, aut ictis, viverrave, et hoc genus onine 

Cuniculis ipsa indole infestissimum, 
Multifores intrat speluncas : agmina turbat, 

Et densa cogit cursitare in retia, 

SlMIA. 

Simia incultis Libyas Indias^ue 
Montibus gaudet : foveas, recessus, 
Rupium rimas, latebras, opaca 

Quaeritat antra. 
Clunibus tritis glabra, aperta culo est : 
Unde cognomen bene nacta clunae ; 
Qjiod nates cauda vacuag tegantur 

Tegmine nuUo. 
Cemitur membris hominem referre 
Plurimis, vultu, digito, manu, aure, 
Nare, palpebris, aliisque toto 

Corpore signis. 
Mima mox mores hominum aemulatur. 
Qiiae videt solers studet experiri : 
Mobilis, velox, cita et actuosa 

Gesticulatur. 
Plurimum gustu valet et palato : 
Vescitur pomis, nucibus libenter : 
Suave amat vinum, joculariterque 

Ebria saltat. 



-$8- 

Cercopithecus. 

Simix clunae similis^ sed illi 
Hostis est acer^ vehemens, dolosus : 
Qjii sui cauda tegit ani hiatum 

Cercopithecus. 

VULPES. 

Putida est vulpes, olida ore et ano : 
Improba et fallax, va&a, plena technis : 
Bestiis brutis, homini quoque ipsi 

Insidiatur. 
Non canem quamvis validum et pot^ntem, 
Non ferum quovis cane fortiorem, 
Non avem crebro celerem volatu 

Horret adire. 
Callida infestat, rapit, involatque 
Anserem, pavonem^ anatem, columbam, 
Feminam galli, leporem, atque inerme 

Hoc genus omne. 
Captat et piscem latitans silentem, 
Et frequens amnis prope ripam oberrat, 
Vt trahat cauda, velut hamo, aquosam 

Fervida praedam. 
Si canum forsan nimio urgeatur 
Impetu, cauda quatit insequentum 
Ora, et aspergit lotio : inde cursum 

Sistere cogit. 



— 59 - 

Viva nil confert boni ; at interempta 
Pellis et sanguis, jecur et cerebrum, 
Lingua, adeps et fel varios feruntur 

Tollere morbos. 

Feus sive iELURUS. 

iEIurus est velox, levi atque flexili 

Currit salitque corpore. 
Et dentibus mordax, et unguibus rapax 

Leonis instar se gerit, 
Ardens ocellis nocte nigra caesiis 

Metum incutit tuentibus. 
Qare in tenebris, ut die pulchra, videt; 

Praedamque visam ocissime 
Saltu cito, silentibus vestigiis 

Praevertit, urget, impetit. 
Mures, aves, piscesque venatur, cibum 

Ori suo gratisslmum. 
Captos quidem mures amceniter brevi 

Lusu doloso afEcit : 
Lusu peracto, nil moratus, unguibus 

Inuncat; enecat; vorat. 
Exempta postquam jam fames, lambit, lavat, 

Ornat, polit pellem, pilos j 
Ventrisque onus terra obruit, ne quid mali 

Odor nocivus adferat. 



— 6o — 

MUSTELA, VlVERRA, ICTIS. 

Mustela fallax, callida et ferocula, 

Feli quidem similiima, 
Sed longiorque tenuiorque corpore, 

Et flava tegminis pilo : 
Terras cavemas atque petras incolit • 

Pavens latebras quasritat. 
Velocitate maxima talpas, aves, 

Muresque captos enecat. 
Absorbet ova, acrique gailinam impetu 

Raptam vorans se ingurgitat. 
Inire cum serpente pugnam non timet 

Munita rutas pharmaco. 
Lepusculum fallit, fatigat, gutture . 

Prensum premit, morsu impedt. 
Mustela at hasc sint dicta de domestica : 

Silvestre quum sit et genus : 
Viverra nempe, astutiae causa suae 

Pergrata venatoribus. 
Antris cuniculos enim vafra exigit, 

Ut prasda fiant hostibus. 
Ictis quoque orta ejusmodi propagine, 

Apum laborem, mel, vorat. 
Aves celerrime involat velox pede, 

Morsuque crudeli necat. 



— 6i — 



Martes 



Martes ferox, dolosa, pugnax bestia, 

Silvestre mustelse genus, 
Infesta gallinis, eas dire necat, 

Exsugit inde sanguinem : 
Exsorbet ova : moxque saxorum satur 

•Aut arborum rimas petit : 
In his latet, venaticos, quos omnibus 

Fugit modis, timens canes. 
Venator hac capta quidem prseda, lucrum 

Et gloriam nanciscitur. 
Nam nobilem caramque pellem nobiles 

Summi expetunt et principes. 



Sabella, sive Scythica Mustela. 

Sabella m*artem corpore atque moribus 

Refert : tamen marte est minor, 
Interque mustelas quidem palmam tenet : 

Qiium caeteris sit pulchrior. 
EJus pili, quocunque agas mulcens manu, 

Nequaquam in adversum rigent : 
iEquabilem sed obtinent semper situm : 

Habentur et carissimag. 



— 62 — 
PUTORIUS. 

Putorius (peracre mustebe genus) 

Odore tetro putidus» 
Qjii maxime, quum fervet ira, pessimum 

Spirare virus assolet. 
Pilos inasquales, nigros longos quidem, 

Fulvos habet vero breves. 
Cavemulis rimisque riparum abditus 

Pisces ut opprimat) latet. 
Versatur in silvis frequens : et hic aves 

Rapit necatque improvidas. 
PuUisque gallinisque victis sanguinem 

Exsugit omnem atrociter. 

SCIURUS. 

Sciurus arbores opacas incolit, 

Mustela dictus arborum. 
Major quidem mustela, at haud est longior, 

Agillimusque corpore. 
Umbras vice atque tegminis, cauda, supra 

Dorsum reflexa, se tegit. 
Alas loco caudam movet frequens levem, 

Ut quo lubet se dirigat. 
Veli loco cauda utitur, dum flumina 

Et stagna velox trajicit. 



J 



-63 - 

« 

Pedes priores, ut manus, promptos habet : 

Impbnit his ori cibum. 
Poma et nuces dulcesque fructus arborum 

Roditque editque perlubens. 
Atque hinc fit ut caro sciuri dulcior 

Haedi sit et salubrior. 

IcHNEUMON sive Mus Indicus. 



Mus indicus plerisque ichneumon dicitur : 

Forma quidem murem sua, 
Felemque mustelamve magnitudine, 

Aut ictidem in primis refert. 
Hanc sola fert iEgyptus, ut fama est, feram, 

Nili prope undas fluminis. 
Instar suis pilos habet dorsi asperos, 

Horretque setis hispidus. 
Cauda aspidem diram apprehendit mordicus, 

Undosum in amnem pertrahit. 
Crocodilum humi stratum atque dormientem adit, 

Fauces hiantis involat : 
Per guttur amplum mox in alvum labitur. 

Exta atque viscera exedit. 
Tandem cibo pastus saturque prosilit 

E ventre inanito, foras. 
Prsemunit autem sese arena vel luto, 

Priusquam in hostes irruat. 



-64- 

EcHiNUS, sive Erikaceus. 

Echinus, instar, magnus est, cuniculi, 

Formam tamen porcelli habet. 
Dumeta, sepes, vineas, hortos obit, 

Potissimum autumno frequens : 
Prresagus uvas atque poma congerit : 

Et in cava arborum vehit : 
Cito, antequam brumale frigus urgeat, 

Densum in cubile confugit. 
Hirto obsitus spinis acutis corpore, 

Se caute in orbem contrahit, 
Et volvit in formam rotundas sic pila^, 

Ut comprehendi asgre queat. 
G)cti est echini grata edentibus caro, 

Morbumque sanat colicum. 

HiSTRix sive PoRcus spinosus. 

Histrix in Africag Indiaeque fervidis 

Potissimum vivit locis. 
Spinosus inde dicitur porcus, stilis 

Qjiod obsitus sit spineis. 
Namque ex echinorum rudi propagine, 

Pinnis quidem majoribus, 
Acutioribusque longe spiculis, 

Qjaa^ plurima in tergo erigit. 



-6s- 

Persaepe venatorem, et acres vulnere 

Gravissimo lasdit canes. 
Uvas licet, poma et pira et rapas edat, 

Vesca est tamen parum caro. 

Taxus, sive Melis. 

Taxus, melisve a vulpe difiert paululum : 

Est pinguior, licet minor. 
Hujus genus duplex : caninum unum, alterum 

Vero suillum dicitur. 
Pedum quidem et rostri figura discrepant : 

Suum hic, canum ille edit cibos. 
Villosa, uterque, sordida et dura est cute, 

Partim albus, et partim niger. 
Est asper et mordax, acutus dentibus : 

Ineptus et venatui. 
Vagatur in silvis : cavernas incolit, 

Specusque subterraneos. 
Mella appetit favosque pra^dulces apum, 

Furaxlnanit alveos. 
Apponitur mensis caesi caro melis, 

Cibus saporis haud maii. 
Pelle obteguntur et pharetrae et helcia, 

Ut et canum collaria. 

Axungia et pinguedo membris illita 

Emoilit atque caifacit. 

S 



— 66 — 



Talpa. 



Est talpa capta lumine, 
Pcracris auditu aurium, 
Acuta rostro, dentibus, 
Acuta duris unguibus. 

Murem refen quadantenus 
Rostro atque dente araneum. 
Terram celerrime egerit, 
Hortos et arva sufFodit. 

Hic delitescit abdita, 
Nec planum adit terrae locum : 
Sed vescitur radicibus, 
Longisque terrae vermibus. 

Loquentium verba auribus 
Percepta mox intelligit : 
Vitasque praecavens suae 
Sese occulit profundius. 

E pelle mollibus, nigris, 
Pulchrisque conferta pilis, 
Fiunt crumenae, stragula, 
Ejusmodique tegmina. 

Mus. 

Mus parvus, incola xdium, 
Domesticusquc, antra ct loca, 



-67- 

Securus ut vitam colat, 
Disquirit arcta et invia. 

Interdiu tectus latet, 
Nec prodit in lucem palam : 
Sed vesperi potissimum 
Noctuque discurrit vigil. 

Frumenta, glandes, caseum, 
Carnes suillas, fercula 
Opima, lauta, pinguia, 
Gratissima ori seligit. 

Strepentium murmur cito, 
Acutus aure, percipit. 
Et musculorum copiam 
Gignit salax libidine. 

Cautus ruinas asdium 
Praesentit, et celerrime 
Commigrat indemnis, prius 
Quam fracta corruat domus. 

At salvus hoc licet malum 
Evadat, in felis tamen 
Et plurium ora improvidus 
Cadit frequenter hostium. 

MUS MAJOR DOMESTICUS, VulgO RATTUS. 

Mus major est domesticus 
Minore major quadruplo. 



— 68 — 

Qjji rattus a vulgo solet 
Trito vocari nomine, 

Fusco colore subniger : 
Longum caput, longamquc habei 
Caudam, pilis nudam, mali 
Plenam veneni toxico. 

Mus AauAmis. 

Aquatilis mus, qui parum 
Ratto minor domestico, 
Vcnatur in minoribus 
Pisces minutos rivulis. 

MUS AGRESTIS, sive RUSTICUS. 

Agrestis aut mus rusticus 
Grande et rotundum cui caput, 
Grumos uti talpa ejicit, 
Plerumque subterraneus. 

Agrum virentem sufFodit : 
Sata et radices exedit, 
Multumque agri cultoribus 
Rapacitate infert mali. 

MUS SILVATICUS. 

Non arva mus silvaticus, 
Cultum nec incolit locum : 



-69- 

Silvas sed umbris arborum 
Densis opacas expetit. 

Cricetus. 

Est mure cricetus quidem 
Major, cuniculo minor : 
At muris est tamen genus, 
Color cui spadiceus. 

Mordax et audax, asperam 
Pronusque in iracundiam, 
Miris agillimus modis 
Ora impetit venantium. 

Frumenta in antrum congerit, 
Fodit quod agro in consito : 
Atque inde difficillime 
Sese extrahi latens sinit. 

Non in cibum venit caro : 
Verum tenax pellis pili 
Pulchro colore splendidi, 
Acconmiodatur vestibus. 

MUS AVELLANUS. 

Est mus avellanus celer, 
Scandit citatus arbores, 
Interque caeteros legit 
Fructus, avellanas nuces. 



— 70 — 

Tcrrx in cavcrnis quos edit 
iEstatc, congerit cibos : 
Et dormiendo tempora 
Brumas quietus transigit. 

Forma atque magnitudo huic 
Ratti instar est : verum pilis 
Hirsuta cauda plurimis 
Monstrat notam discriminis. 



MUS ARANEUS. 

Mus parvus est araneus, 
Lcvisque; visu hebes, teter 
Odore : sed cauda brevis, 
Multis licet longus pilis. 

Minax, acutus et nocens 
Exstante rostri cuspide, 
Exiliumque duplici 
Utrinque dentium ordine. 



MUS ALPINUS. 

Alpinus est mus, Alpium 
Excelsa qui juga incolit, 
Magnus cuniculi in modum, 
Aure atque crure perbrevis. 



— 71 — 

Bipes subinde obambulat : 
In clunibus rectus sedet : 
Pedes priores/ut manus, 
Edendo, rictui admovet. 

Sopore gaudet, et cavis 
Hyeme latens cavernulis 
Dormit quietus : interim 
Edit nihil, bibit nihil : 

Fit attamen pinguissimus 
Dum dormiendo sese alit. 
Coctusque, ferculi loco 
Lauti, culinae convenit. 

Mus NORicus, sive CriELLus. 

Mus noricus corpus velut 
Mustela habet domestica : 
Caudam brevem : cava aurium, 
Sine auribus, foramina. 

Hyemem in futuram triticum 
Nucesque avellanas legit, 
Ut unde vivat sit satis, 
Terrae in cavernas congerit. 

Ex pelle vestes, vestium 
Limbique confici solent : 
At vilior prae ceteris, 
Passim minoris venditur. 



— 72 - 

MUS POKTICUS, VENETUS, VARIUS. 

Mus ponticus quam plurimis 
Sciunis csso dicitur : 
Namque a sciuro non, nisi 
Pellis colore, discrepat. 

SOREX. 

Sorex, avellanus quidem 
Mus esse multis creditur : 
Densos at ob cauda^ pilos 
Sunt qui minus consentiant. 

Gus. 

Silvaticus mus, glis, latet 
Silvarum et arborum in cavis, 
Major sciuro, et admodum 
Parvis acutus dentibus. 

Hyberna somno tempora 
Tectus latebris transigit, 
Eo frui nec desinit, 
Donec recurrat ver novum. 

Tum pinguior prodit, licet 
Nullo interim fretus cibo : 
Hinc fit coquus lautas dapes 
Ex carne gliris ut paret. 



/^ 



— 73 — 



VENATIONES FERARUM, AVIUM, PISCIUM. 

PUGNiE BESTIARIORUM 

& MUTU^ BESTIARUM. 

Elephantum MUTUA AUXnJA. 

Hunc servant morem naturae instinctu elephantes : 
In foveam incautus cecidit si forte gregalis, 
Auxilium accelerant alii conferre, et in antrum 
Moles, ac ramos, terraeque immittere glebas. 

Elephantis et draconis certamen. 

Excelsa in barrum draco sese ex arbore jactat : 
Praestringensque pedes nexu, ima in nare recondit 
Mox caput. Hinc elephas labat, extinguitque draconem 
Dum cadit. A nanis in frusta secatur uterque. 

ElEPHANTES A TROGLODmS MACTATL 

Trogloditae insidiis elephantem fallere docti, 
Arripiunt caudam, tum laeso poplite mancum 
Mactant : in varias scindunt partes : sua quisque 
Quam nactus praedam propere in spelaea reportat. 



_ 74 — 
Elephas ab homine victus. 

Annibal in bello captos confligere cogit 
Inter se : tontum superest ex oninibus unus : 
Hic bardo objicitur : superatur bellua : victor 
Dimitti pactus, dum poscit abire, necatur: 

Elephas et Leo a cane necantur. 

Magnus Alexander populo spectacula praebet. 
Concertant canis et barrus : barrum canis acer 
Latratu exterret, stratum necat ore cruento, 
Qjiin etiam rabidum superatque necatque leonem. 

Leo flammam fugiens CAPrruR. 

« 
Astu qui satagunt validum illaqueare leonem, 

Tsedam alacres lasva, dextra quo avertere possint 

A facie flammam, gestant scutum : leo flammae 

Adspectum fugitans prastenta in retia currit. 

LeO VELIS OBDUCTUS INTERHCrrUR. 

Arte leo astutis mira superatur ab Afris. 
Muniti occurrunt gladiis, et saeva leonis 
Injecto capiti prasstringunt lumina panno. 
Obductum velo, lethali vulnere paedunt. 



— 75 — 
Panthera a pastoribus decepta. 

Excrementa hominum panthera avido appetit ore : 
Altius in vase haec quam ut saltu attingere possit, 
Pastores pendunt : languens saltu illa frequenti, 
Concidit : insigni spoliatur mortua pelle. 

TlGRIS IRRETITUR. 

Ex antro catulos venator tigridis aufert, 

Atque in decipulas et retia tensa, tenellos 

Quse referant catulos, specula injicit : illa doli expers 

Veros esse putat, rete intrat, captaque rancat. 

TaURO LAaUEOS INJICIUNT SaRDI. 

Sardi equites hastis tauros sectantur agrestes. 
Cornibus injiciunt laqueos, et crura voluto 
Torquent fune : at humi constricta hoc bestia nexu 
Procumbit : mactant corpus relevare volentem. 

VrruLOs et capras necat vulpes. 

Corsica quas gignit praestanti corpore vulpes, 
Intrepide vitulos capfasque invadere, guttur 
Et jugulum pecoris mordere ac rodere gaudent, 
Exhausto donec discedat sanguine vita. 



CeRVI, CERViE, CAPREOLI ILLAQjCJEANTUR. 

Sardi equites cervos et cervas, capreolosque ; 
Velox sed timidum genus ac imbelle ferarum ; 
Non hasta suerunt vel acuto figere telo, 
Ast tono collum aut cornu circumdare (une. 



Apri perimuntur sclopis. 

Explosis apros uno simul impete sclopis ; 
Corpora dum turpi in coeno setosa volutant ; 
Opprimere, et duris occidere glandibus, ars est : 
Hastis venari cum sit res plena pericli. 

Ursus a viro armato interfectus. 

Ense ursum invadit rabidum cataphractus : at ursus 
Unguibus arripiens hominem conatur aduncis 
Stemere et erectus nequicquam lubrica prensat 
Arma : cadit tandem transfixus viscera ferro. 

Serpens afer necatur a Regulo. 

Attilius consul Romanus, Regulus^ arcu, 
Telo^ hasta^ jaculo, multa cum clade suorum, 
Afirum serpentem, lingua vibrante minacem, 
Gyro terribiiem, victor tandem superavit. 



— 77 — 
Serpens flammis interemtus in India. 

Ingentem vegeto serpentem corpore gignit 
India, qui solitus latitare in aquis, fame pressus 
Prodit, et umbrosa dependens arbore, saltu 
Apprendit pecus : ast clavis flammaque necatur. 

Crocodilus niuacus cAprruR. 

Esca Niliacus capitur crocodilus et hamo, 
Qiii latet occiso in porcello : bellua vivi 
* Illectus porci grunnitu, ad littora tendit, 
Escam hamumque vorat : lirho interit obrutus udo. 

VlPERiE FURCIS APPREHENDUNTUR. 

Vipera in Italiae gaudet latitare palude. 
Latratu canis, e dumis perterrita prodit. 
Corripitur furca, in perdensum forcipe saccum 
Injicitur : parat hinc medicamen pharmacopceus. 

Orca e navigus oppugnatur. 

Ostiae in extremum littus prolabitur orca. • 
Retibus atque plagis concludit Claudius oras, 
Orcam e navigiis oppugnat miUte crebro. 
Romani haec spectant laeti spectacula cives. 



-78- 
Anseres capiumtur ab Indis. 

Anscrem agrestem undis capit in stagnantibus Indus. 
Ipse cucurbiu habet tectum caput, illecebrisque 
Allicit : esuriens anser visas involat escas. 
Indus pascentem facili capit arte volucrem. 

CORNICUM ET STURNORUM AUCUPIUM. 

Comicem in campo ligat auceps : vociferanti 
Advolitant alix, quas fixa haec una moratur. 
Funiculo stumus viscato annectitur : alte 
Dum volat, approperant alii : viscoque tenentur. 

PYGMiEORUM CUM GRUIBUS PUGNA. 

Pygmaei capris, ovium maribusque vehuntur, 
Arcubus et telis armati, fervida miscent 
Praelia cum gmibus : puUos avium o^aque perdunt. 
Aspera pugnando clades infertur utrinque. 

AVIS iNDIiE PISCIBUS INSIDIATUR. 

Anseris instar avem felix habet India, pisces, 
Funiculo ingluvie adstricta, quae prendere novit : 
Non glutire, sed in ripas adferre propinquas, 
Evomere, atque Indis victum conferre perita. 



-79 - 
Ferarum venatio in Persia. 

Magno Persarum quondam fuit insula regi, 
In qua pernicum voluit genus omne ferarum 
Nutriri : ut quoties animum oblectare videndo 
Vellet, venari sese spectante juberet. 

Papiliones apibus d^festi necantur. 

Meiliferis infesti apibus sunt papiliones. 
Excitat insecti genus hoc apiarius : et sub 
Vase locat noctu flammantia p^rramidali 
Lumina : eo volitant, flammaeque ardore necantur. 

Baccarum conchas capiunt Indi. 

Indi baccarum conchas fundo aequoris imo 
Ut quaerant, nares obstructi, auresque liquore 
Uncti, demittunt e navi corpora, fune 
Apprenso : in navem mox fune levantur eodem. 

CORALIUM PISCANTUR SlCULI. 

Coralium Siculus solers cautusque specillo 
Ante oculos fixo, placidum cum stat mare ventis, 
Piscatur : fit demptus aquis durusque ruberquc 
Ramus : qui tener, et viridis fuit ante colore. 



— 8o — 

GrUES CUCULLO FALLUimJR VISCATO. 

Auceps e chartis confeaos arte cucuUos 
Interius visco linit : in scrobibus locat : indit 
Pisa : venit grus esuriens : rostrum ingerit : hseret 
Charta oculos velans, volucri prohibetque volatum. 

Thynnus capitur a piscatoribus. 

Parthenopaeae urbis thynnus prope littora magnis 
Tempore certo anni solet adventare catervis. 
Piscator conto tensa hos in retia peilit, 
Fuscinula figit, vel acuti dente tridentis. 

Crocodilus in Tentyra refrenatur. 

Tentyra in iEgypto, Nilum juxta, insula gentem 
Intrepidam gignit : crocodili haec scandere dorsum 
Audet : refrenat baculo os : discedere cogit 
Ex amne in terram : mortem acceleratque nocenti. 

Serpens triginta cubitorum captus. 

Ter denos longum cubitos iEgyptia tellus 
Serpentem olim habuit, qui bellica tela, sarissas, 
Tympana, terribilesque tubas fugitans, per opacum 
Tensos in casses male providus incidit antrum. 



— 8i — 

SlMME MIRA ARTE FALLUNTUR. 

Quo venatores oculos lavere catino, 
Pro Ijonphis indunt viscum : mox simia visco 
Os oculosque lavat : capitur lento uncta liquore. 
Incidit et caligata in idem quaiidoque periclum. 

BUBALUS FATIGATUR A CANIBUS. 

Bubalus agrestis, rabidus, trux et ferus est bos. 
Indomitum ut capiant equites peditesque, frequenti 
Latratu cursuque canum morsuque fatigant, 
Donec humi vasto procumbat corpore fessus. 

CUNICULI A CATELLIS FALLUNTUR. 

Callidus effossis iatitare cuniculus antris 
Et generare solet. Verum persaepe catelli 
Anglorum celeres fallunt pecus : ore prehendunt 
niusum : prasdam venatorique ministrant. 

PaRDIS TuRCiE SECTANTUR LEPORES. 

Non lepores canibus tantum, saevis quoque pardis 

Sectari timidos Turcis magnatibus est mos. 

Venatoris equi praevelox bestia tergo 

Insidet : hinc saliens conspectum fertur in hostem. 

6 



— 82 — 
Naphta COLUGITUR SPONGnS A NAuns. 

Naphta bituminis cst liquidi genus : in mare manat 
Montibus e Siculis^ fluidisque supematat undis : 
Spongia eam excipiunt nautx, expressamque recondunt 
OlliSy ut varios hominum servetur in usus. 

Cervus FALLrr venatores. 

A canibus cervus quandoque agitatus odoris, 
Saltu in dorsa boum pavidus formidine fertur : 
Arboris aut altas ramis sua comua figit : 
Spe tandem prasdae dum cesserit hostis inani. 

Venator a SERPENTEBUS INTERHCrrUR. 

Saspe quidem incautus venator in antra, cavemas, 
Et Latii cryptas umbrosas incidit : unde 
Fidis a sociis nequit extrahi : at anguibus atris, 
Hydris, et morsu saevis manet esca colubris. 

Anseres et anates clangore terrentur. 

Anser anasque tubam metuunt et t^rmpana : fallax 
His auceps timidas terretque fugatque volucres : 
Q}ix dum se gravibus nituntur in aera pennis 
ToUere, falconem nequeunt vitare rapacem. 



-83 - 

AsiNUS Indicus cornutus. 

f 

Non procul a ripis asinos venatur agrestes 
Indus, permissu regis : comu quibus exstat 
In fronte : hinc phialae fiunt et pocula, morbos 
Qjiae sanant, vulnus curant, pelluntque venena. 

Cervi juniores noscuntur. 

Francorum regis mandato, stercora quasri^ 
Plurima cervorum, venator : ea olfacit, et quse 
Junior egessit cervus, canibus dat; odore 
Percepto, aetates cervorum ut noscere discant. 

PlSCICULI LUMINE FALLUNTUR. 

Ludicra piscandi quaedam ars est : vespere mensae 
Insistit rutilae fulgenti lampade cautus 
Piscator, placidaque in stagni aut fluminis unda 
Pisciculos, in aquis adeuntes lumina, fallit. 

Leonis venatio. 

Instructo spectant proceres spectacula circo. 
Trux leo dente feras rabido discerpit et unguc : 
Prosternitque lupos : vincit conamine taurum. 
Territus interea formidine contremit ursus. 



-84- 

Satyrum msEauiraruR mulieres. 

Montibus iEgypti, Nilum prope, turba salacem 
Fcminci generis satyrum, clamore, tumultu, 
Fustibus, et contis propere sectatur : at ille 
Insanam ridet turbam, repetitque latebras. 

Elephantophagi venantur elephantum. 

iEthiopum tellus gignit genus omne ferarum. 
Hic tigris, leo/ bos silvester, struthio, cervus, 
Et complura simul tranquille animalia vivunt ; 
Tantum elephantophagis elephantos caedere mos est. 

Dracones cAprriBus gemmiferis. 

Ecquis in ^gypto crista et tergo esse dracones 
Serratis credat flammis ? Et picta soporem 
Stragula humi somnum membris inducere stratis ? 
Aut capita istorum diflSssa emittere genmias ? 

AUCUPIUM NOCTURNUM. 

Incautas Anglus tehebrosa nocte volucres 
Exturbat nidis auceps : consistere ramis 
Ne possint, baculis abigit, flammisque fatigat, 
Lassata donec potiatur denique praeda. 



-8s - 



ENCOMIUM GALLI GALLINACEI. 

Musas, borii proles Jovis, 
Adeste : gaUum laudibus 
Exordiamur inclytis 
Omare gaUmaceum. 

Gallus diei nuntius, 
Nocte excubando sedulus, 
Somno solutos languido 
Laboris ad pensum vocat. 

Maritus acer, serius, 
Gravis, severus, imperat : 
Gressu superbo iter facit, 
Gregemque gallinarufti init. 

Bellator audax, strenuus, 
Fervente pugna pertinax, 
Erectus adversarium 
Et rostro et alis impetit. 

Non cessat a certamine, 
Receptui nec vult cani ; 
Rostro celer rostrum fodit, 
Cristamque vellit hosticam. 

Donec pavore percitum 
Hostem latebras quaerere, 
Circoque abire longius 
Lassum relicto, viderit. 



— 86 — 

Tum lactam ovans viaoriam 
Viaor canit, triumphum agit; 
AHsquc plaudens se virum 
Testatur esse principem. 

Cervice procera eminet, 
Cristas rubentes erigit, 
Caudamque, coelum contuens, 
Sublimiorem provehit. 

Non victor aedes diripit, 
Tectisve flammas injicit : 
Victi nihil domesticis, 
Insontibusve infert mali. 

Sibi sat esse existimat, 

Si se suosque protegens 

Cum gloria victoriam 

QjLieat referre nobilem. 

Tu, miles, exemplo probi 
Defende galli te, tuos, 

Lares, propinquos, patriam : 

Probusque cum gallo mane. 

Sic tu, marite, acer, gravis, 

Frugi, impigerque, conjugem, 

Proles, gregemque sedulo 

Domesticum rege et fove. 



-87- 

BELLUM INTESTINUM EXTERNO RESTINCTUM. 

Decertare duos rapax cruento 
Cernit forte lupus canes duello. 
Pugnantes simul ac vident adesse 
Invisum generi lupum canino, 
Obliti subito prioris irae, 
Omissaque statim calente pugna, 
In dirum pariter lupum feruntur, 
Communemque necant furenter hostem. 
Usu sic etiam venit subinde, 
Ut civilia quae incidere bella, 
Extemum recidant repente in hostem. 



IN MILITEM IMPIUM, 

CARMEN, CENTONIS INSTAR, ^ 

EX VIRGILIO PRiECIPUE CONTEXTUM. 

Fas versum atque nefas : tot magnum bella per orbem, 
Tam multae scelerum facies, non uUus aratro 
Dignus honos : ruptis inter se legibus urbes 
Arma ferunt, sasvit toto Mars impius orbe. 

Qjiid memorem infandas casdes et furta latronis, 
Qjii scelere ante alios longe est immanior omnes? 
Tristius haud illo monstrum ; nec saevior ulla 
Pestis, et ira Deum Stygiis sese extulit undis. 



— 88 — 

• Ad grave Martis opus piger, auri caecus amore 
InvaJit viUas : corrcpta dura bipenni 
Limina pcrrumpit, postesque a limine vellit : 
Instat vi multa fervens ; nec claustra, nec ipsi 
Custodes sufferre valent : labat ariete crebro 
Janua, et emoti procumbunt cardine postes. 
Se prsedas accingit : veteres tellure recludit 
Thesauros, ignotum argenti pondus et auri. 

Rusticus, ut cemit saevum in penetralibus hostem, 
His illum aggreditur dictis, atque increpat : heus tu, 
Quisquis es, armatus qui nostra in limina tendis, 
Fare, age, quid venias : extemplo comprime gressum. 
Arma diu senior desueta trementibus aevo 
Circumdat nequicquam humeris, et inutile ferrum 
Cingitur, et dirum fertur moriturus in hostem. 
Uxor ut arma videt, magnis exterrita turbis, 
Horrescit visu subito : calor ossa relinquit : 
Labitur, et longo vix tandem tempore fatur : 
Qjiae mens te, quaeso, tam dira, miserrime conjux, 
His cingi impellit telis ? Aut qiio ruis ? inquit. 
Si bene quid de te merui, fuit aut tibi quicquam 
Dulce meum; miserere domus labentis, et istam, 
Oro, si quis adhuc precibus locus, exue mentem. 
Dixerat. IUe autem mox sese jactat in hostem : 
Verum armis gravis, atque tremens, et segnior annis, 
Devictus cadit, et vitam cum sanguine fundit. 



— 8^ — 

Moesta virum mulier morientem nomine clamat : 
Semianimemque sinu curat complexa fovere : 
nie graves oculos cupiens attollere, languet, 
Deficit, extinctique in ventos vita recedit. 

Tum domus infando luctu, miseroque tumultu 
Miscetur, penitusque cavae plangoribus aedes 
Femineis ululant : ferit aurea sidera clamor : 
Omnes ingentem gemitum dant pectore ab imo. 
Moestorum torpent infi-acta^ ad praeKa vires : 
Confestimque cadunt animi : nec jam amplius armis, 
Sed votis precibusque parant exposcere pacem. 

Latro ultra saevit, precibus nec flectitur ullis : 
Aggrediturque furens lectas mactare bidentes : 
Subjicit et verubus prunas, et viscera torret : 
Dant famuli manibus lymphas, cereremque canistris 
Expediunt, tonsisque ferunt mantilia villis, 
Et dapibus mensas onerant, et pocula ponunt. 
Impletur veteris Bacchi, pinguisque ferinae. 

Inde scelusque novumque nefas in pectore versat. 
Quae patris occisi servabat filia sedes, 
Jam matura viro, jam plenis nubilis annis, 
Huic raptum invitae, stuprumque intentat inermi, 
Incensurum aedes minitans, terrensque trementem. 

Nuncius interea vicipos clamat agrestes : 
Atque vigil pastor stabuli de cuhnine summo 
Pastorale canit signum, comuque recurvQ 



— ^ — 

Horrendam intendit vocem. Qpa buccina signum 
Rauca dedit, raptis concurrunt undique telis 
Auxilio agricoloe celeres. Furor arma ministrat. 
Mars ipse armipotens animum viresque colonis 
Addidit, et stimulos acreis sub pectore vertit. 
Ut videre virum crudeli morte peremptum, 
Haud mora, prosiliunt, hic torre aimatus adusto, 
Stipitis hic gravidi nodis : quod cuique repertum, 
Ira facit telum. Gladios et spicula vibrant, 
Intendunt acreis arcus, amentaque torquent, 
Pila manu, sasvosque gerunt in bella dolones : 
Objiciunt multi sese ad divortia nota, 
Hinc atque hinc^ omnemque aditum custode coronant. 
Omnibus idem ardor : perturbant eminus hostem : 
Postremo ardentemque oculis^ animisque frementem 
Cominus invadunt : condunt in viscera ferrum, \ 

Stemunt, et poenam scelerato ex sanguine sumunt. 
Purpuream vomit ille animam : cum sanguine mista 
Vina refert moriens, seque in sua vulnera versat : 
Vitaque cum gemitu fugit indignata sub umbras. 

Istic nunc metuende jace. Non te optima mater 
Condet humi, patriove onerabit membra sepulchro. 
Alitibus linquere feris, aut gurgite mersum 
Unda feret, piscesque impasti vuhera lambent. 

Militis haec finis fatorum, hic exitus asvi. 
Nunc exercetur poenis, veterumque malorum 



— 91 - 

Supplicia expendit. Scelus omne exuritur igni. 

Discite justitiam moniti, et non temnere divos : 
Et sperate Deos memores fandi atque nefandi : 
Aut tandem simili poena commissa luetis. 



ALEATOR DESPERANS. 

LUSORI CUProO SEMPER GRAVIS EXrrUS INSTAT. 

Aleo fortunae dubios expertus acerbae 
Casus, mentis inops, moerens, iratus oberrat : 
Nudatus numis, agro exutusque paterno, 
Qjio sese vertat, qua victum quseritet arte 
Haeret : desperat : Diris se devovet : illae 
Finiat ut vitam laqueo, mortemque, malorum 
Extremum, hortantur rapido semel oppetat ausu : 
Aut vivendi ultra sit ei si forte cupido, 
Militiam intrepidus divam sectetur^ et agros 
Grassator vastet, populeturque omnia ruri. 
Pravo Dirarum suasu seducitur amens : 
Mox prasdae intentum latrociniisque strategum 
Invenit : immani se consecratque cohorti : 
Agricolas vi, fraude^ minis spoliare parati, 
Invadunt pariter jurato foedere villas : 
Nec tantum villas et parva mapalia nudant; 
Aras diripiunt scelerati, et sacra profanant. 



— 92 — 

Nuncias interea ramor volat, haad procul hostem 
Visum : audito hostis terrentur nomine : mentes 
Invadit subito perculsas panicus horror. 
Ocius accelerant ; prasda spoliisque quadrigas 
Et jumenta onerant : ad propugnacula tendunt ; 
Castraque tuta petunt, voto fiirtisque potiti. 
^qua autem praedoe partitio restat opimae : 
Hinc talis faciunt sortes : sortitio lites 
Dissidiumque parit, Nemesi instigante, scelestos 
Dignis pro merito quae pcenis afficit ultrix. 
Denique post rixas furialia ad arma venitur : 
Maxima lethifero pars vulnere saucia vitam 
Q)nflictu amittit : quos inter concidit una 
Aleo nec ludo felix nec denique pugna. 



CIRCULUS 

viassrruDiNis rerum humanarum. 

Divitiis oritur plerumque superbia : cum sit 

Fluxarum paucis cognitus usus opum. 
Stultitiae vitio permista superbia tristem 

Commoda ob alterius procreat invidiam. 
Invidia alterius macrescens rebus opimis, 

Lites, dissidia, et bella cruenta parit. 
Bellum hostile, rapax, ardens, miserabile, dirum, 

Exutam profert robore pauperiem. 



— 93 — 

Duris pauperies aerumnis languida, gignit 

Demissum atque humilem, spe pereunte, animum. 
Demissusque humilisque animus pacem edit, et atras 

Invidiae extinguit dissidiique faces. 
Pax alma, ingenuas praesertim quae fovet artes, 

Orbi suppeditat denique divitias. 



VARH HOMINUM SENSUS. 

Omnibus haud possit quum Juppiter ipse placere, 
Non equidem mirum senis et pueri acta, loquaci 
Morosus varie si rideat ore popeilus. 
Unus quod probat, hoc alius reprobare laborat. 

PUER PEDES VADIT, SENEX ASmO VEHITUR. 

Carpit iter pedibus puer, atque infirma tenellus 
Longe progrediens sua membra labore fatigat : 
Intereaque senex asini dorsum occupat, et nil, 
Dum segnis vehitur, pueri miseretur euntis. 

SENEX PEDES VADrr, PUER ASINO VEHmjR. 

. '- 

Deliro stolidoque seni nec cura salutis 
Nec ratio fessae fragilisque est ulla senectae : 
Tergo asini puerum ferri permittit, et ipse 
Pone sequens pedibus figit vestigia lentis. 



-9' — 

SBNEX BT FUn PBDITBSt VACUO ASINO. 

Qpanta senem puerumque simol dementia cepit ! 
Fascc omni vacuum comitatur uterque pedester 
Defessusque asinum, cujus conscendere tergum 
Neuter, gestari quo possit, velie videtur. 

SENEX ET PUER SIMUL INSIDENT ASINO. 

Ah, tandem pandi nimium rumpentur aselli 
Pondere membra gravi. Simul ambo senexque puerque 
Insideant uni ? Q.uasnam haec vesania ? Cur non 
Alter eat pedibus, solus gestetur ut alter ? 

SENEX ET PUER ASINUM PORTANT. 

Delirare senem, puerum insanire, negabit 
Nemo ; ridiculam quum rem designet uterque. 
Namque asinum magno pariter conamine portant, 
Q.UOS asinus dorso fortis portare valeret. 



ORLANDUCCIUS LEONINUS 

PUER, LEONI A MATRE EREPTUS. 

INSIGNE IN PROLEM MATERNI EXEMPLAR AMORIS. 

Qjiem grata accepit quondam urbs Florentia dono, 
Vi valida erupit carcere forte leo : 

Dum vero indomitus frendensque vagatur in urbe^ 
Crassantemque pavens civica turba fugit : 



— 9S — 

Unguibus invadit puerum violentus acutis, 

Qjii viduae proles unica matris erat. 
Currit maesta parens, praedam eripit ocius : ille 

Cum prole illaesam lenis abire sinit. 
Q.uaeritur : unde truci clementia tanta leoni ? 

Indicia \ixc animi sunt generosa sui. 
AflBicto imbellique homines hinc parcere discant. 

Discat opem proli sedula ferre parens. 



SPECULUM. 

Qjiisquis aves propriae speciem cognoscere formae, 

Consule laevati planitiem speculi. 
Si te conspicies facie vultuque venustum : 

Fac vita et mores sint sine labe tui. 
At si deformis tibi forte videberis : adsit 

Deformi virtus splendida; pulcher eris. 
Si te florentem validumque viriiibus annis 

Cernes : egregij facta imitare viri. 
Si, rugose senex, tua tempora cana videbis ; 

Luctificae tempus mortis adesse puta. 
Dum, contemplator, speculo, hac ratione, frueris; 

Te contemplando commoda multa feres. 



-96- 
COMES UGOUNUS GIRADESCUS 

& LroERI DIRA FAME CONSUMPTI. 

Urbs Pisx, atque Amus, qui Pisas irrigat, amnis 

Testes exitii sunt, Ugoline, tui ; 
Cum, turri inclusus, charissima pignora, natos 

Esurie extingui cemis; et ipse peris. 
Post Danthes, duce Virgilio, regna infera lustrans, 

Necdum ibi sedatam comperit esse famem : 
Nam videt infidi te Ruggerij occiput ore 

Horribiii, et rabidis dentibus impetere. 
Fortunae miserum, mortales, discite casum. 

Esurie ecce comes dira Ugoiinus obit. 



DIEI ET iETATUM DIVISIO. 

AURORA. 

Aurea dum fulget roseis Aurora capillis, 
Mortales ad opus surgere mane monet : 

Mane monet puerum facilem teneramque doceri, 
Ne sero pigeat perdidicisse nihil. 

Mertoies. 

Ecce, meri-mediusve dies prsefervidus ortum 
Inter et occasum, vivida membra movet. 

Hinc discat duros juvenis tolerare labores : 
Ne luxu astatem desidiaque terat. 



- 97 — 

Vespera. 

Vespera adest praeceps : pars almi extrema diei 
Ad coenam et somnum corpora lassa vocat. 

Vergit ad occasum quicquid provenit ab ortu : 
Fitque senex tandem, qui puer ante fuit. 

Nox. 

Nox nigrans caecis obducit cuncta tenebris, 
Et nugas, somnos, somnia, spectra fovet. 

Qjiaelibet ad mortis tendunt animalia noctem. 
Cum puero juvenis decrepitusque perit. 



(1UINQ.UE SENSUS QjLJINQJJE DHS ATTRIBUTL 

Visus. 

Juppiter est oculis pictus tribus : haud male : visu 
Namque inter reliquos praevalet ipse Deos. 

Praevalet et visu reliquis mortalibus ille, 
Luminibus fruitur qui sine labe suis. 

AuDrrus. 

Auditum recreat citharae pulsator Apollo, 

Musarum in medio dum canit arte choro. 

Voce salutari et blandae modulamine lingua^ 

Mite fit ingenium^ quod fuit ante ferum. 

7 



-98- 
Tactus. 

Qpum tactus sensum Venus atque Cupido gubement^ 

Jucundum est tactu deliciisque &ui. 
Attamen obscoene tangendi prava voluptas 

Gignere tangenti noxia saepe solet. 

GUSTUS. 

Ruricolas gustum Cereri adscribamus oportet. 

Hasc frugum genetrix, hxc Dea cincta spicis, 
Gustu nos dulci gratoque sapore focillat : 

Ast procul ingluviem, vult procul esse gulam. 

Olfactus. 

Montivagae olfactus tribuetur jure Dianas, 
Silvas quae canibus lustrat odorisequis. 

Herbarum et florum quisquis sectaris odorem, 
Naribus admittas, quae nocitura, cave. 



AMORES NATURALES. 
(Ex Plin. lib. xxxvj, cap. v.) 

Marmoreo lapidi torva est incisa Leaena, 
Parte omni aligeris cincta cupidinibus. 

CoUudunt; alii religatam urgentque tenentque : 
Tortum alii cornu', quo bibat objiciunt : 



— 99 — 

Conscendunt alii : caudam hic trahit : iste flagellat : 

Soccis villosos calceat ille pedes. 
Haec lapidi scalptor cum cuncta insculpseris uni, 

Uni etiam tibi laus, Arcesilae, venit. 



Dn GENTIUM CELEBERRIMI. 

OcEANtJS. 

Rex vagus uiviarum, Ccelo Vestaque creatus, 
Per mare balenis deferor Oceanus. 

Saturnus. 

Saturnus, Ccelo genitus Vestaque parente, 
Ex me prognatam devoro Opis sobolem. 

JupriER. 

Saturno genitore satus, Divum atque hominum rex, 
Jupiter, ardenti fulmina vibro manu. 

Pluto. 

Saturni soboles et Opis, Pluto, Deus Orci, 
Imi rex Erebi, Tartara opaca rego. 

Neptunus. 

Neptunus, proles Satumi et Opis, maris undas 
Vasti ventosas paco tridente potens. 



— 100 — 

SOL. 

Astronim princeps, lyrx amans Sol, sum Jove natus : 
Auratis mundum lustro tuteos radiis. 

£0LU5. 

^Ius aldtODante satus jove, flamina cogo, 
Et ford ventos carcere coatinco. 

VOLCAKUS. 

Vulcanus Jovis et Junonis, atroz Dens ignis, 
Fulmina, et arma paro bellica ccelicolis. 

Bacchus. 
Invcntor vini Bacchus, th^rrsi inclytus hasta. 
Ex Semele dicor filius esse Jovis. 

Mercukius. 
Mercurius Jovis et Maiie charissima proles, 
Alatus superis nuncia poito Diis. 

Mars. 
Mars nullo genitus patre sed Junone parente, 
Asper, atrox, durus, pr«Iia et arma sequor. 

Cupmo. 
Flammifer, arcitenens, nudus, ciecusque Cupido, 
Matre jubente ignes ejaculor Venere. 



— lOl — 

DEiE GENTIUM CELEBERRL\LE- 

Ops. 

Ops, Terra et Coelo orta, leonum vecta quadrigis, 
Sum Divum atque hominum mater et alma parens. 

Vesta. 

Vesta ego Satumi proles et Opis, Dea virgo, 
Ignis perpetuus, flammaque viva vocor. 

Ceres. 

Nata Ope matre Ceres flavens, Saturnia proles, 
Inventrix frugum, spicea serta gero. 

JUNO. 

Juno Jovis soror et conjux, regina Deorum, 

m 

Filia Satumi, vindico sceptra mihi. 

MlNERVA. 

Orta Jovis cerebro, casta, armipotensque Minerva, 
Artes ingenio, viribus arma colo. 

Venus. 

Alma Venus dicor, Cceli gnata atque Diei : 
Auspiciis dantur gratia amorque meis. 

Luna. 

FiUa Luna Jovis, rosei soror ignea Phoebi, 
Clara noctumas luce abigo tenebras. 



!■! 

k ■; 



jl 



l^- : 



\ 



ii 1 



I' 

('I 



1 



i 



— 102 — 
DlANA. 

Casta Jovis proles sum Latona^ue Diana, 
Venatrix pharetram duraque tela fero. 

Proserpina qjjje et Luka. 

Progenies Jovis et Cereris Proserpina, certis, 

Qpod supra atque infra est, permeo temporibus. 

MuSiE. 

Pierides Musas, Jove natas, Heliconis alumnae, 
Cantamus variis carmina lasta modis. 

Pales. 

Magna Pales, Dea pastorum, praepinguia laetis 
Ubertim armentis pabula suppedito. 

Flora. 

Flora uxor Zephyri, Chloris quondam, Dea florum, 
NobiUtor ludis, Roma proterva, tuis. 



JUDICIUM PARIDIS. 

Mercurius Paridi. 

Aureum ab aetherio tibi Mercitrius Jove pomum 
Aliger apporto nuncius, ecce, Pari : 

Id, quaecunque trium censebitur esse Dearum 
Formosissima, te judice, sola feret. 



— X03 — 

JUNO. 

Sum, Pari, magna Jovis soror et conjux, dea Juno : 
Me sine divitias sceptrave nemo tenet. 

Prae reliquis forma si me testabere pulchram ; 

Regna et opes tibi erunt munere prompta meo. 

MmERVA. 

E Jovis invicti cerebro prognata Minerva; 

Qjiae prsesum beliis, ingeniisque Dea; 
Grata equidem fuero si prseferar, o Pari : per me 

Magnus eris bello, magnus et ingenio. 

Venus. 

Blanda et amoena Venus, lascivi mater Amoris, 
Nudam luminibus me, Pari, sisto tuis. 

Pomo ego si potiar, tu Helena potiere Lacaena. 
Merces judicii faxo sit ampla tibi. 



QjQATUOR ELEMENTA. 
Ignis. 

Ignis, seu flammans, ccelo qui proximus, iEther; 

Materia altisono fuhninis unde Jovi : 
Flammarum immodicus vi multa uritque necatque ; 

Ast modicus grato muha calore fovet. 



1! 



r. 



A£r. 

Mobilis, ct rerum per cuncta meabilis Aer, 
Afflatu alituum promovet omne genus : 

Commotus nimbos tempestatesque minatur, 
Tranquillus terris xquoribusque favet. 

AauA. 

Rerum Aqua principium, chaos, et fons est, et origo, 
Frugibus unde vigor seminibusque venit. 

Squamigeros homini pisces alimenta ministrat; 
Et quo navigiis transeat, aptat iter. 

Terra. 

Terra parens, qua non elementum est firmius ullum, 
In media mundi parte locata manet. 

Fert gramen, flores, Isetas fert denique fruges, 

Et reliqua unde animans vivere quodque queat. 



MENSES Xn ANNI SOLARIS. 

Annus. 

Tortus ut in sese serpens convolvitur orbe, 
Dum caudam immani mordicus ore tenet : 

Haud secus in circum solaris volvitur annus, 
Exactisque, in se, mensibus, usque redit. 



11 



— 105 — 

Januarius. 
Jani bifrontis primo nunc ordine mensi 

Conveniunt epulae, pocula, abolla, focus, 
Laetique in scena quos exhibet histrio ludi : 

Urniger hibernas dum Puer edit aquas. 

Februarius. 
Qui fuit extremus mensis Februarius olim, 

Mutato veteri more, secundus adest. 
Ante focum residens accenso pascitur igne, 

Et Pisces, taciti ne noceant, metuit. 

Martius. 

Qiiondam mensis erat velocis Martius anni 

Primus, tertium habet nunc nova posteritas. 

Collucat, putat : hortos stercorat, instruit herbis. 
Incrementa simul verque Ariesque ferunt. 

Aprilis. 

Apriiis Latiis ab aperto tempore dictus, 
Miti et foecund^ qui propriifs Veneri, 

Dat gramen, flores ; plantas et germina profert : 
Vernatque in Tauri sidere cornigeri. 

Maius. 
Maius, quo veteres soliti sacra reddere Maiae, 

Cantu avium gaudet, fronde virente viget : 
Aucupibus pragbet, qua fallant tempora, praedam 

Leda progenitos sidus habet Geminos. 



— xo6 — 

JUNIUS. 

Junius cssc saccr Junoni fertur : adunca 

Hcrbas in pabulum, foenaque falce secat. 

Lanigcrum tondct pecus, et lanam abluit undis. 
Ast opcri intento, Canccr aduste, noces. 

Juuus. 

Julius CEnotrii sortitus nomen luli, 
Curva maturas falce metit segetes : 

Colligit et religat cerealcs mergite culmos : 
iEstiferi cum sol signa Leonis habet. 

AUGUSTUS. 

Sextilis modo fert Augusto a Gesare nomen, 
In metas semen qui cereale struit, 

Et largam confert operosus in horrea. messem, 
Spicea dum manibus munera Virgo gerit. 

September. 

Septimus a Martis September mense locatus, 
Vasa, cados, cuppas, doliaque ampla parat : 

Grata maturas aura vindemiat uvas^ 

Sole fruente astro, pendula Libra, tuo. 

OCTOBER. 

October cultag cerealia semina terrae 

Committit : glebas frangit, adaequat humum, 
Laetior occato seges ut grandescat in agro. 

Crebro at sementi Scorpio dirus obest. 



— 107 — 

NOVEMBER. 

Suppeditat suibus glandes alimenta November, 
Qjiercum qui solitus stringere verberibus. 

Setigeri mense hoc hyemis pinguescite porci : 
Glandibus Arcitenens nil nociturus erit. 

December. 

Providus accurat porcum jugulare December, 
Durat et aequoreo pinguia larda sale. 

Instruit arvina dulci botulisque, culinam, 

Dum brumale piger fers Capricome gelu. 



Q.UATUOR MUNDI PARTES 

EUROPA. 

Sceptrum Europa gerit, pars praestantissima mundi : 
Laetaque fert vinum munus, lacche, tuum. 

AsiA. • 

Dives, opima, potens Asia, amplo splendida luxu, 
Dat Divorum aris mascula thura sacris. 

Africa. 

Africa vi solis monstrosa animalia gignit : 
Et profert calido balsama odora solo. 



— io8 — 



America. 



Estrix dira hominum scatet auro America : poUet 
Arcu : psittacum alit : plumea serta gerit. 



IN P. GOSSILn LAREM NOVUM, 

Quod Derrinthiacum larem vetustum, 
Multo Gossilius labore, sumptu, 
Tandem diruerit, quis improbabit, 
Perpensis animo sequiore causis ? 
Immensus^ spatioque vastus amplo 
Et longo undique murus, alta tecti 
Magni congeries, trabes, tigilli, 
Et transtra et mutuli, ostia et fenestrae, 
Qpin et materia omnis obsoleta, 
Damnosas indicium dabant ruinas : 
At destructa domus manu fabrili, 
Jussu consilioque heri sagacis ; 
Q.uum nil attulerit ruina damni ; 
Magna ex parte alii, licet minori, 
Paulatim fuit usui struenda. 
Hac parce agdificata, herus sibi hortum 
Ex fundi vacuo solo paravit. 
Magnam materiae aediumque partem 
Care vendidit, et cutem inde curat. 
Hic apricus humi virente in herba 



— 109 — 

Curae expers recubat diu supinus : 
Noctu iras Jovis iEolive flatus 
Sub tecto haud metuens, quiete in aurem, 
Plenus munere Bacchi, utramque dormit. 
O quam Gossilius lare hoc beatus ! 



POETICES LAUS. 

Pingunt pictores et fingunt multa poetae, 

Qjiae licet indoctus ridicula esse putet : 
Sunt tamen extra omnem cumprimis seria ludum, 

Et dempto arcanis cortice plena sacris. 
Nulla poStarum est in doctis fabula libris 

Quae non delectet commoneatque simul. 
Sed quoniam vario capiuntur plurima sensu 

Judicio interpres sit sibi quisque suo : 
Dummodo probrosi procul absit fomes amoris, 

Et castae menti quidquid obesse solet. 



ORPHEUS, ORATOR. 

Orpheus arte lyrae doctus, rapidos stitit amnes, 
Et movit sylvas, perdomuitque feras. 

Orator sapiens, dicendique arte peritus, 
Dira hominum eloquio mitigat ingenia. 



— IIO — 

CUPIDO NUDUS. 
Ex Apuleio. 

Bella Psychc inspecto dum noae Cupidine nudo 
Miratur facicm pulchraque membra viri ; 

Fortc humcrum in dextrum fervens scintilla lucemae 
Insilit : cvigilans inde Cupido fiigit. 



VULCANUS A PALLADE VICTUS. 

Quid Vulcane tibi robur, quid malleus, ignis, 
Et magni prosunt fuhnina cusa Jovis ? 

Aversata tuum Pallas generosa cubile, 
Armis te vincit virgo pudica suis. 

Non laedit castos arcu telisve Cupido : 

Pectora nec penetrat pura protervus amor. 



^IS^Sw^lWm^M^W^ 



CORNELII KILIANI 



DUFFLiEI 



MISCELLANEORUM CARMINUM 



LIBER SECUNDUS. 



ILLUSTRES FEMINiE VETERIS TESTAMENTI. 

EVA. 

Eva patris costa primi desumpta virili, 

Prima hominum genetrix, prima virago fuit. 

SaRA, AsRAHiE UXOR. 

Sara Abraha^ paret vetulo officiosa marito : 
Isacum anus mater concipit atque parit. 

Rebecca. 

Isaci amans conjux prudens solersque Rebecca, 
Esau postponit, teque, Jacobe, fovet. 



— 112 — 
LlA. 

Lia Jacobi uxor patriarcba^, filia Laban, 
Germanae sponso est nocte potita suae. 

Rachel. 

Quu Rachel, Lia^ soror, atque marita Jacobi, 
Occultat patrios, clam fugitiva, deos. 

Thamar. 

Bella Thamar, luctu posito, velata theristro, 
Cum Juda socero dissimulata coit. 

Maria. 

Aronis Mosisque soror Maria; aequore mersis 
Hostibus; exultat, tympana pulsat ovans. 

Rahab. 

Exploratores recipit, celatque receptos, 

Servet ut incolumem seque suosque Rahab, 

Debora. 

4 

Justiiia ct bello pollens Debora prophetis, 
Summa IsraSlem sedulitate juvat. 

Jahel. 

Sisarae iniqui hostis pertundere tempora clavo 
Ausa Jahel, celebri nominc nota viget. 



— 113 — 
Mater Samsonis. 

Coelesti mater Samsonis voce docetur, 

Qiiem, statuente Deo, sit genitura parens. 

Anna. 

Qjias sterilis fuerat, tristis Domlnum invocat Anna, 
Et Samuelem edit, laeta dicatque Deo. 

RUTH. 

Ruth spicas in agro, non cognita, coUigit ; inde 
Noscitur affinis, fitque marita Booz. 

Abygail, 

Davidem placat Nabali conjux Abygail : 
Davidis consors postea faaa thori. 

ABEtiE MULffiR. 

Abelae mulier sapien^^Sibse caput urbem 
Joab cingenti curat ab urbe dari. 

Sara Tobi^ uxor. 

Sara uxor Tobiae septem viduata raaritis, 

Cum lacrimis fundit nocte dieque preces. 

JuDrrH. 

Insignis Judith Holofernis nocte sq)iti, 
Numinis amdlio, demetit ense caput. 



8 



— 114 — 

Hester. 

Assucro conjux Hester charissima regi, 
Juda^ precibus consilioque juvat. 

SUSAKNA. 

Susanna, a senibus falso accusata malignis, 

Insons inventa est, frausque retecta senum. 

MaTER MACHABiEORUM. 

Hxc Machabieorum mater septem inclyta fratrum, 
Legis amans patriae, fortiter occubuit. 



ILLUSTRES FEMINiE NOVI TESTAMENTI. 

MaRU VmGO MATER DeI. 

Virgo Dei genetrix Maria intemerata, salutem 
Humano generi laetitiamque tulit. 

S. Anna. 

Anna Dei matris Marias sanctissima mater, 
Praemonitu sobolem concipit angelico. 

Elisabeth Zacharle. 

Cognatam Elisabeth simulac Maria ore salutat, 
Utraque conceptu est exhilarata suo. 



- ^ • ' 



— iis — 
Anna prophetissa. 

Anna pudica, modesta, senex vidua, atque prophetis, 
In templo Dominum nocte dieque colit. 

MULIER SaMARITANA. 

Samarias mulier regionis, aquas ab Jesu 
Vivas ex vivo provida fonte petit. 

Mulier adultera. 

Adducta a vafris muliercula adultera scribis 
Ad Dominum, Domini libera sentit opem. 

MULIER fluxu sanguinis laborans. 

Sanatur, vestem simulac contingit Jesu, 

Q.uaB patitur fluxum femina sanguineum. 

MuuER Canan^ea. 

Vota precesque Cananasas pius audit Jesus : 
Fitque flde matris filia salva suae. 

MULIER INCLINATA. 

A Christo muUer sanatur corpore curva, 

Laude salutiferum prosequiturque Deum. 

Martha, 

Hospitio Christum Martha officiosa receptat; 
Et natum veri praedicat esse Dei. 



— ii6 — 

Ma&ia Magdalena. 

Nbgdalena pedes Domini lacrimis rigat; inde 
Crinibus abstergit moesta ddensqae sius. 

Majua jACoai. 

Filio utrique locum in coelis Maria ausa Jacobi 
Poscere, divino oommonita ore fuit. 

Maria Salom^. 

Ungendi causa Giristi Maria alma Salomae 

Cum reliquis pariter, sole oriente, venit. 

• 

TABrrHA. 

Mortua quae fuerat, rediviva Tabitha resurgit, 
Petri voce^ aperit lumina^ membra levat. 

Lydia purpu&aria. 

Attpnte divi verba audit Lydia Pauli, 

Baptismique sacrae fonte lavatur aquae. 



PROPHETJE MAJORES ET MINORES 

VETERIS TESTAMENTI. 

Isaias. 

Q.uum Seraphim Dominum celebrassent, a Seraph uno 
Admota est labris, fbrcipe, pruna mcis. 



— 117 — 

Jeremias. 

Defleo Judaeae cladem, Solymaeque ruinam : 

Ad Dominumque velint, quaeso, redire suum. 

Baruch. 

Adventum Christi in carnem, postremaque mundi 
Tempora praedico, praemoneoque pios. 

EZECHIEL. 

Qjiattuor in mediis describo animalia flammis, 
Horribilesque rotas, aetheriumque thronum. 

Daniel. 

Spelaeo inclusus (sic rege jubente) leonum, 
Numinis auxilio liberor incolumis. 

OSEE. 

Accipe adulteram, ait Dominus mihi : id exsequor : illa 
Facta uxor, prolem concipit atque parit. 

JOEL. 

Explico Judasas quid terras eruca, locusta, 
Bruchus, rubigo sint paritura mali. 

Amos. 

Primo equidem pastor, factusque deinde propheta, 
In vaccas pingues invehor et proceres. 



— ii8 — 



Abdias. 



Vos ^o IdumaBOS et gentes arguo : vobis 
Nontio luctificum providus imperium. 

JONAS. 

A ceto absorptus lateo noctesque diesque 

Tres ventre in piscis : tum Niniven venio. 

MlCH^AS. 

Plango, ci ut Israel moestus mecum, rogo, plarigat. 
Christi ortum, et magni jussa revelo Dei. 

Nahum. 

Expono Niniven maneat quae poena relapsam : 
Evertendam aio funditus Assyriam. 

Habacuc. 

Te Babylon, Babylon, te te, Chaldaee tyranne. 
Arguo : at in psalmis, te, Deus alme, cano. 

SOPHONIAS. 

Vindictam minitor : moneo resiprscere pravos. 
Est Domini velox et prope, dico, dies. 

Agg^us. 

Increpo Judaeos templum instaurare morantes : 
Ut properent, multis sedulus insto modis. 



— 119 — 

Zacharias. 

QjLiid vir rufo in equo, quid equi rufi, varii, albi 
Sint, sancte indiciis^ angele, disco tuis. 

Malachias. 

Dira sacerdotum carpo peccata malorum : 
Justitias solem nuntio corde bonis. 



VTTA D. JOANNIS BAPTIST^. 

Arae Zacharias dum sacrae incendit odores, 
Angelus attonito talia verba refert : 

Ne timeas : pariet, sterilis iicet hactenus, uxor. 
Haec jussu sunmii sint tibi dicta Dei. • 

Sedula Zacharias in domum abit Maria, Elisabetham 
Cognatam impertit Virgo salute suam. 

Infans exultat gaudens genetricis in alvo, 
Aures ad gravidae vox simulatque venit. 

Elisabetha senex puerum parit : hinc domus omnis 
Vicinique simul gaudia concipiunt. 

Tum sumpta genitor vetulus mutusque tabplla, 
Scribit, Joannis homen erit puero. 

Conveniunt sacra de Virgine natus Jesus, 
Atque parente puer natus utroque sene. 

Divinae apparent teneris signa indolis annis : 
Ille quidem Deus est, iste propheta Dei. 



— 120 — 

Zacharix proles deserta adit avia ductu 
Angelico : luxum delidasque fugit. 

Membra pilis hirti discit velare cameli, 
Et lumbos zona cingere pellicea. 

Inde palam sancto populum monet ore profanum, 
A malo ut abstineat qui fuit ante malus : 

Baptismi et nitido purgetur rite lavacro, 
Sordescit pravus cui vitiis animus. 

O rem mirandam ! Venit expers labis Jesus, 
Perfiindique unda fluminis ipse cupit. 

Tingit eum Baptista : patet coelum : atque columbae 
Instar eandentis Spiritus almus adest. 

Qausus discipulos ad Jesum carcere mittit 
Baptista : accincti mox iter accelerant : 

Et referunt coram visa atque audita reversi ; 
iEgros curari Numinis auxilio. 

Gnata Herodiadis, natali Herodis, in aula 
Saltat : et Herodi festa chorea placet. 

Mercedem iila caput Baptistds poscit : idemque 
Saltantis voto protinus annuitifr. 

Sacrum divi hominis stricto caput ense recisum 
Fert matri in patina sseva puella suae. 

Proh sceius infandum ! nece dira plectitur insons, 
Qui carpsit vetiti crimen adulterii. 



— 121 — 

CHRISTOPHORUS MYSTICUS. • 

Hasc tibi quas sacro panguntur cannine lector, 

Mystica sunt veri sjnnbola Christophori. 
Christum fert humeris immensus more gigantis, 

Dum fert humanum per freta sseva genus. 
Non mundi aut pelagi rabie terretur ; at atra 

Nocte, maris fluctus transmeat intrepidus. 
Lucida eremitae pellit iaterna tenebras, 

Sancto evangelii lumine, Christe, tui. 
Et gressum pinus viridans ac florida firmat, 

Qjias solida et constans est, sine labe, fides. 
Tu quoque Christophorum vigilans imitare beatum : 

Ut verus tandem Christifer esse queas. 



SIMON LEPROSUS & MULIER PECCATRIX. 
(Mat. 26,6. Marc. 14,3. Luc. 7,37.) 

FeUx es Simon, qui convivator Jesu 

Sanctis conviv^ pasceris eloquiis. 
Peccatrix quoque ter felix muliercula, Christi 

Qjiae firagrante pedes unguine moesta linis. 
At vos officia haec animo qui fertis iniquo, 

Felices inter quis numerare velit ? 
Abdita sacrarum quisquis mysteria rerum 

Ignoras, falso carpere sacra cave. 



— 122 — 

MAGDALENA PCENITENS. 

Criminis ocemplar sit Magdalena piandi, 
Fusis quae veniam promeruit lachrymis : 

Ut peccatormn nimia qui mole gravantur, 

In cruce Christi omnem spemque fidemque locent. 



HDES, SPES, CHARITAS. 
(i. Corinth. 13.) 

Virtus quidem magna est Fides, 
Nec Spes Fide virms minor : 
Sed, teste Christi apostolo, 
Est maxima harum Charitas. 



IN SYMBOLUM JACOBI MONAWI. 

Ipse faciet. 

Ipse faciet, fecit, facitque, qui suo 
Mundum reget, rexit, regitque numine. 
Futura, praeterita & simul praesentia 
Erunt, fuerunt, sunt, Deus, manu in tua. 



— 123 — 

IN roEM SYMBOLUM. 

G)nfide, homo, Deum roga, sis subditus 
nii, tuamque curam in Illum projice, 
Te vestiet, te nutrietque, lilia 
Qjii vestit agri, quique aves coeli fovet. 
duid inquieto multa volvis pectore ? 
Deus, saluti quod tibi est, ipse faciet. 



DONA SPIRITUS SANCTI. 

Spiritus sapienti^. 
(Prov. Cap. Vm. 15.16.) 

Per me equidem regnant reges, et condere jura 
Ac leges soliti justitiam statuunt. 

Intellectus. 
(Ecclesiast. Cap. XXXIIII. 9.10.) 

Multarum expertus rerum vir mente volutat 
Multa : intellectum qui didicitque refert. 

CoNSiLn. 
(Proverb. Cap. XXVII. 10.) 

Consilium satagunt almae qui pacis inire, 
Hos sequitur merces plurima lastitia^. 



— 124 — 
SCIENTLE. 

(Sapient. Cap. Xm. i.) 

Vani sum qoibus cst ignota scientia, summum 
Qua noscanty et ament, rite coiantque Deum. 

FoRTrruDmis. 
(2. Paralip. Cap. XVI. 9.) 

Terram oculis late Dominus circumspicit omncm : 
Credentesque in eum numine fortificat. 

PlETATIS. 

(i. Timoth. Cap. im. 8.) 

Utilis ad cuncta est pietas : promissio vitae 
Qjiae nunc est et erit, cum pietate viget. 

TiMORis DoMmi. 
(Ecclesiast. Cap. I. 12.) 

Cor deiectabit Domini timor, atque dierum 
Vitae homini spatium, iastitiamque dabit. 



TEMPLUM. 

Est locus iste sacer, sanctum et venerabile templum, 
iEternique domus, non temeranda, Dei. 

Relligio et pietas hic pura mente colantur. 
Sint risus, nugae, verba profana, procul. 

Vana superstitio, perversaque hypocrisis absint : 
Absit terrena^ soUicitudo rei. 



- I2S — 

Non huc atque illuc animus meditando vagetur : 
Sed praesens numen cogitet, oret, amet. 

Hanc serva normanl quisquis sacra fana firequentas : 
Sin minus : accedens fana^ profanus eris. 



IN HYPOCRITAM. 

Heus tu, fucato simulator hypocrita vultu, 
Ecquis erit fuci tandem finisve modusve ? 
Vis clemens, humilis, mansuetus, justus, honestus, 
Integer et castus, probus atque benignus haberi : 
Piurima in asde sacra pietatis signa doioso 
Ostentas gestu : supplex et cemuus oras : 
Inque humeros caput obstipum indinare peritus, 
Murmura praeproperis profers crepitantia labris : 
Et gemis et plangis : paimas ad sidera tollis : 
Saspe feris pectus : lachrymas emittis inanes : 
Et conficta vafro suspiria pectore ducis : 
Denique versutus personas induis omnes, 
Ut videare pius, qtium pergas impius esse. 
Fallax es vulpes, et simia relligionis : 
Pelle lupus sub ovina avidus, pecudumque vorator : 
Atque dealbatus paries. Qpid prosequor ultra? 
Est perspecta Deo tua mens, lingua, actio, vita; 
Qiiem quia posse putas falli, tu falleris ipse, 



— 126 — 

EXPOSTULATIO JESU CHRISTI 

CUM MUNDO INGRATO. 

Sum pulcher : at nemo tamen me diligit. 
Sum nobilis : nemo est mihi qui serviat. 
Sum dives : a me nemo quicquam postulat. 
Et cuncta possum ; nemo me tamen timet. 
^temus exsto : quasror a paucissimis. 
Prudensque sum : sed me quis est qui consulit ? 
Et sum via : at per me quomsquisque ambulat ? 
Sum veritas : quare mihi non creditur ? 
Sum vita : verum rarus est qui me petit. 
Sum vera iux : videre me nemo cupit. 
Sum misericors : nullus iidem in me coilocat. 

Tu, si peris, non id mihi imputes, homo : 
Salus tibi est a me parata : hac utere. 



MORTIS AGON. 

JEgQX homo recubat languorum pondere pressus : 
Assistunt conjux, proles, moestique parentes : 
Consulitur medicus : geniorum turba malorum 
Et furiae afOicti mentemque animumque fatigant. 

Ignarum instituit, sacris munitque sacerdos : 
Angeli ab aetherio veniunt*properanter Olympo, 
Adstant languenti, lachrymas celantque parentum, 
Et fugere horrendi cacodaemonis agmina cogunt. 



— 127 — 

Angelicis pleRe docius sermonibus aeger 
Et divum exemplis, ccelumque erebumque tuetur : 
Collocat in Christo spem confirmatus Jesu, 
Qiii generi humano servator et anchora sacra est. 

Exhalans animam vita cadit, hanc sibi praedam 
Incassum daemon studet ima in tartara ferre. 
Ccelestem angelicis manibus defertur in aulam. 
Hsec iili merces cui sancta ecclesia mater. 



ANIMA ALATA HOMINIS. 

Instructas alis animas finxere periti, 

Qui rerum causas perdidicere, sophi. 
Quippe anima in ccelos fertur sublimis apertos, 

Intuitu asterni perfruiturque Dei ; 
Dum contemplatur laetis caelestia votis, 

Divinoque hilaris numine pasta viget. 
Verum momento flaccescit protinus horae, 

Nec remanet claro, quo fuit ante, loco. 
Nubila perstringit caligo liimina mentis : 

Deficiunt alae : labitur : ima petit : 
Humanis praeceps vitiorum involvitur umbris, 

Virtutum spreta, qua solet ire, via. 
Qjiam mens inconstans hominis, quam lubrica vita, 

Qiii subito e summis lapsus, in ima ruit! 



— 128 — 

Q.UINQ.UE SENSUS aUINQlJE ANIMALIBUS 

ATTRTOUTI, ET PIE INTERPRETATL 

Visus. 

Visu aqaila excellit^ solis radiantia spectat 
Lumina, et iliaesis fiilgura fert oculis. 

Nos oculo mentis lumen speculemur Olympi : 
Luce Dei exorta diffugiant tenebra^. 

AUDITUS. 

Auribus crectis Auditu cervus acuto, 

Naturae munus convenienter habet. 
Divinis homo sic modulis accommodet aures, 

Ut recreet verbis mentem animumque sacris. 

Tactus. 

Pertenues Tactu quae nectit aranea telas, 
Nocte dieque suum pendula texit opus. 

Qjiias tactu bona, quas tactu fiant mala norint 
Qui faciunt : fectum judicfet ipse Deus. 

GUSTUS. 

Simius eximio gnarus discernere Gustu, 
Rejicit ingrata, et grata sapore tenet. 

Quam suavis Domiuus sit, quam ccelestia dulci 
Delectent gustu, res manifesta piis. 



— 129 — 

Odoratus. 

Pollet Odoratu canis indagator, et auras 

Nare acri captans quod placet assequitur. 

Virtutis dulces homo consectetur odores, 
Possit ut aeterno Christi odor esse Deo. 



SOLITUDO SIVE VITiE FEMINARUM 
ANACHORETARUM, 

EUSABETHA. 

Elisabetha fugit cum prole senex in eremum : 
Angeli opem celeres auxiliumque ferunt : 

His dulcem moriens gnatum commendat; et inde 
Defuncta in coelum toliitur aetherium. 

Maria Magdalena. 

Magdaiena, soror divae carissima Marthae, 
Fastum, delicias, luxuriemque cavet. 

Angeiico gaudet deserta per avia coetu; 
Et sacrum attenta percipit aure melos. 

MaRIA iEGYPTIACA. 

Ha^c Maria iEgypti, nigra a^stu, atque horrida cultu, 
A Zozimo occultis vivere visa iocis^ 

Exhalat, Christi gustato corpore, vitam; 

Atque sepulta cubat, quam ieo fodit, humo. 

9 



— 130 — 
Maria Abrahami Eremtt^ neptis. 

Abrami neptis juveni dum credit amanti, 

Exit descrtum, iuxuriaeque vacat. 
Post pcrtassa probri, repetit quam iiquit eremum, 

Et moritur claris cincta caput radiis. 

Thais. 

Thaida iascivam Pannutius arguit abbas, 

Et monet immundum linquere prostibulum. 

Hla tribus cellas claustro se continet annis : 
Mortua nunc vivit conciliata Deo. 

Pelagia mima Antiochena. 

Ut mima et meretrix vitam Antiochena probrosam 
Corrigat, et dure crimina dira luat; 

In tacitam devota Deo discedit eremum : 

Hinc moriens coelum migrat in aetherium. 

COMETA ET NlCOSA. 

Scortator Babylas mimus foedam, edita in arce 
Sponte sua inclusus, iuxuriem domuit : 

Mox quoque scorta Cometa, simulque Nicosa, pudice 
Ut vivant, casulam non procul inde struunt. 



— 131 — 



Erena. 



Casta Erena pie vestitu induta virili, 

Eligit obscuri devia tecta specus : 
Vescitur hic herbis : animam edit : lumine cassum 

Corpus heremitae condecorant tumulo. 

Pelagia Margaiuta Antiochena. 

Montis Oliveti, velamine tecta virili, 

Antiochena jugum femina qua^ coluit, 

Contemptis opibus, fastu luxuque reiicto, 
In coelis dulci laetitia fruitur. 

EUPHROSYNA. 

Euphrosyna in coetum monachorum virgo recepta, 

Mutato sexum nomine dissimulans, 
Sponte inclusa casas vitam sola egit; et ante 

Credita vir, mulier mortua visa fuit. 

SaRA MONACHA. 

Qjx3£ sexagenis, ad ripam fluminis, annis 
Sara senex vitae tempora longa trahit, 

Vasto in secessu, Domini meditatur Jesu, 

Cum gemitu et lachrymis, vulnera, flagra, crucem. 



— 132 — 
EUPHRAXIA ROMANA. 

Discedit Roma, fiigiens Euphraxia luxum, 

Inque plagam tendit, pcr mare, Thebaidis. 

Emaciata Deo servit : crebra prece fervet, 
Et superat diras dasmonis insidias. 

Sylvia Ruffina. 

Annis sola quater vitam egit Sylvia denis : 
Luce preces fudit : nocte quievit humi. 

Interea, praeter digitos, vix corporis ullam 
Partem, quo nitida sit cute, lavit aquis. 

SOPHRONU TaRENTINA. 

Vitae acta et nomen Sophronia in arbore sculpsit, 
Atque in deserto debilis occubuit. 

Cassum anima corpus volucres viridantibus herbis 
Et foliis, multa sedulitate tegunt. 

Sanctimoniaus Hierosolymitana. 

Virgo sacrata Deo juvenem quo vitet amantem, 
Desertum accedit : sobria mandit holus. 

Monstrat heremitae, quam se servat penes, oUam 
Unde alimenta capit, crescere, non minui. 



— 133 — 
Nephalia gnossia. 

Nephalia Idasi quum decrepita incola montis, 
JEvi jam finem sentit adesse sui, 

Gnossum urbem^ natale solum, lento pede tendit, 
Hic vivit paucos, emaciata, dies. 

Amata. 

Occlusis foribus, se cellse includit Amata, 
Dum procul a turbis vivere sola cupit; 

Vitam octo dure miseram trahit abdita lustris ; 
Post moritur miris extenuata modis. 

IVETTA LeODIENSIS. 

iEgris, orba viro, postquam subvenit Ivetta, 
Leprosis medicas adhibuitque manus : 

Se gurgustiolo secretam inclusit agresti, 
In Domino tutam nacta Deo requiem. 

Hermelindis. 

Turpe Hermelindi stuprum exosae, insula Meldris 

Angelico sedes tuta fit indicio. 
Hic agit aetatem : celebris post fata Pipini 

Magnifice auspiciis est tumulata ducis. 



— 134 — 

COLETA BOYLETTA. 

Gandavo orta, casx G)rbaei inclusa, G)leta 
Qiiatuor annorum delituit spatio. 

At cum Francisci rigidus magis ordo placeret, 
Ordine funigero condecorata fuit. 

Otilia Bavaria. 

Otilia incoluit montes, calicemque salutis 
Sumpsit sola : aethrae scivit et indicio, 

Defunai e pa^nis animam patris esse redemptam. 
Virginibus struxit denique ccenobium. 

DyMPNA HVBERNIiE REGIS FILIA. 

Incestum renuens cum patre admittere D^mapna, 

Gerbcrni ductu devia rura petit. 
Inventum mulctat Gerbernum morte satelles : 

Virginis ipse caput demetit ense pater, 

Maria Oigniacensis. 

Hasc Maria oppidulum iinquit natale Niveilas, 
Wilbrochaeque colit relligiosa Deum. 

Instinctu inde migrat divino : vivere sola 
Expetit e turbis : Oigniaci moritur. 



— 135 — 



Reynofla. 



Veste induta rudi parvum Reynofla tegillum 
Incolit, et degit virgine cum socia. 

AflFatu angelico fruitur : mortem oppetit : aegris 
Et claudis miro subvenit auxilio. 



PROSOPOGRAPHIA, 

r 

SIVE 

VIRTUTUM, ANIMI, CORPORIS, 

BONORUM EXTERNORUM, 

VITIORUM ET AFFECTUUM VARIORUM DESCRIPTIO. 

Natura. 

Ubera distenta, et fax ignea, avis, ligo, aqualis, 
Naturae illustrant divitis efiigiem. 

VlRTUS. 

Ensem, hastam, et galeam mihi tradidit arma vetustas : 
Nunc conculco malum cum vitiis satvrum. 

Veritas. 

Nuda palam, fuco lita nuUo, solis ad instar 
Clara, regor ductu, Spiritus alme, tuo. 



- 136 - 
Gratia Dei. 

Larga Dci ditat nos amplis gratia donis : 
Et toto quidquid vivit in orbe fovet. 

ECCLESIA. 

Sancta crucem, claves, caliccmque ecclesia Christi 
Ostcndit, sancto subdita Spiritui. 

MlSERICORDIA. 

Sortcm afflictorum miscror : rosa, crux, pelicanus, 
Dant nostri certum pectoris indicium. 

VlCTORIA. 

Noxia pessumdo vani ludibria mundi : 

Hinc victrix palmam et laurea serta gero. 

CONSTANTIA. 

Firma, columnas instar, maneo : ceu Sc^vola dextram 
Urens, sum constans, propositique tenax. 

ExPERIENTIA. 

iEquoris immensum docui perquirere fundum : 
Hinc contum manus hxc, ista gerit bolidem. 

Sanitas. 

Intortus baculo serpens Epidaurius, impar 

Et quinquangulus hic, signa salutis habent. 



— 137 — 

OBEDffiNTIA. 

Una crucem Christi manus, et gerit altera sceptrum 
Haec duo sunt animi symbola morigeri. 

Pax. 

Frango arma : et festos palmae atque virentes olivas 
Paciferis ramos alma gero manibus. 

CONCORDIA. 

Fasciculo signor telorum, turturibusque : 
iEgre quod rumpi foedera juncta sinam. 

iETERNITAS. 

Circulus aeternam me, praeteriti atque futuri 
Me gnaram bifrons esse docet facies. 

TlMOR DOMINI. 

Lege, tubaque Dei Domini designo timorem : 
Nuncia lex poenas est, et tuba judicii. 

PlETAS. 

Olim ut flagrantes arae, atque ciconia, sic nunc 
Signa piae mentis sunt globuli atque liber. 

PCENITENTIA. 

His metanoea utor delicti conscia virgis : 

Moxque lavor, lympha purificorque sacra. 



-138 - 
Patientia. 

Lilium ut agrestes inter spinas, ut in igne 

Aurum, ita in extremis perfero dura malis. 

HONOR. 

G)nsiIio insignis, facundus, doctus, et usu 
Vir longo expertus, dignus honore cluet. 

Labor. 

Et formica, et apis, bovis exuviae, ligo, clava, 
Ignitusque silex, sunt tua signa, labor. . 

DlLIGENTIA. 

Qpod gesto flagrum, me gnavam agilemque ; sed ala^ 
In capite et pedibus, me celerem esse doccnt. 

LlBERALrrAS. 

Cornu copise habet manus utraque : largior inde 
Munifice : at ne sim prodiga, servo modum. 

Majestas. 

Dicitur alituum regina, aquila, et Jovis ales : 
Majestas hominum praeficitur generi. 

Potestas. 

E coelo est omnis, Paulo testante, potestas : 
Nec frustra virgam gestitat et gladium. 



— 139 — 

Ratio. 

Ut virgae pueros, et equos moderantur habenae ; 
Sic hominum aflfectus aequa domat ratio. 

FCEDUS. 

Ut restim e variis contorquet restio filis, 
Diversos hominum sic animos socio. 

Tribulatio. 

Me misere afflictam, manibus pedibusque ligatam 
Impetit esuriens dente minace lupus. 

Debilitas. 

Me, quibus innitor, baculi, angusto ore matella, 
Et macies, fractam viribus esse docent. 

Inquietudo. 

Musteia, et crotalum, atque horarum machina, motum 
Ut raro sistunt; sic mihi nulla quies. 

Negligentia. 

Et colus et fusus digitis cecidere remissis : 
Mox neglecta etiam concidet ipsa domus. 

Pavor. 

Quum lepus ad folii strepitum paveatque trematque 
Adscribi poterit jure pavor iepori. 



— 140 — 

Mensura. 
Grcinus, aiH)ualis norma, ct libella fabrilis, 

Commoda mcnsura: sunt documenta bona:. 

Pecunl\. 
Quidlibct in tcrris rcgina pecunia possum : 

Quarc hominum obnixe me colit omne genus. 

Periculum. 
Undiquc discrimen : pendet supra caput ensis : 
Corpus circum enses : spina premitque pedem. 

Vis. 
Orc atquc ungue leo saevit : nolentia flammis 
Et ferro valide fortia quaeque premit. 

Fraus. 
Esca pisciculos et mures illice fraudo, 
Et larvata dolos qualibet arte struo. 

DlSCORDIA. 

Cincta caput colubris tetrum discordia proflo 
Dissidium, et rapidas effera subdo faces. 

DlFFTOENTIA DeI. 

Aspernor lucem, diffido Deo : mihi tota 
Est spes in caris fixa numismatibus. 

Impudentia. 
Ostentat culum simia : atque pudore remoto 

Nudam ego me exhibeo : pando pudcnda palam, 



— 141 — 
IN OBITUM CHRISTOPHORI PLANTINI 

ARCHITYPOGRAPHI REGH. 

Sistite ploratus, iachrymas, planctusque poetae : 

Plantinus felix vivit apud superos. 
Non illum (ut quondam) febris, non hernia, tussis, 

Colicus aut doior, aut calculus urget atrox. 
Defunctus morbis, senio, cura, atque Labore, 

CoNSTANTi tandem perfruitur requie. 

In eumdem. 

Plantini patriam, indolem atque mores, 
Si quem noscere forsitan juvabit; 
Expertusque domesticusque dicam. 
Plantinus genere atque gente Gallus, 
Comis, candidus, innocens, modestus, 
Large munificus, simul benignus, 
Solers, ingeniosus, eruditus, 
Et CoNSTANS fuit et Laboriosus. 
Sed notissima ne referre pergam, 
Qiiae chalcographiae ars satis probavit : 
Hoc demum genio precor sepulti, 
iEterna requiescat in quiete. 

(Obiit Antverpiae anno cd.id.xxcix. 
kalendis quintilibus.) 



— 142 — 

IN OBITUM ABRAHAMI ORTEUI 
COSMOGRAPHI REGH. 

Orteli, tibi nsenias inanes, 
Et cantus querulos, monodiasque 
Viventi minime fuisse cordi, 
Perspectum mihi cognitumque quum sit : 
Non lamenta proinde vana fundo, 
Nec Parcas temere increpo sorores, 
Qpod vitam tibi ademerint molestam, 
Teque ad sidera miserint volentem, 
Jam lassum, fragilem, senem, tuoque 
Functum munere recte et erudite. 
Ipsum hoc dectepita exigebat aetas ; 
Ipsum hoc pro meritis tuis statutum, 
Sunmii Numine sic volente coeli, 
Ut post assiduos quies labores 
Te laeto excipiens bearet aevo. 
O si me quoque sicca mors, minorem 
Annis plusve minusve te duobus 
(Nam bis lustra ego septies peregi) 
iEgrum tolleret, et labore, cura, 
Languore, atque aliis malis levaret, 
Ut sic post obitum et suprema tandem 
Possim funera dicier beatus. 

(Obiit Antverpiae aD.iDxaix.iiu. 
kalendis quintilibus.) 



— 143 — 
IN MORTEM ANTONIOLiE 

MAXIMILIANI VRINDI FILLE. 

f 

Heu quam lanificag brevi sorores, 
Quinquennem nimis asperae in puellam, 
Momento fragile abscidere stamen ! - 
Extingui, o mala fata, parcae iniquae, 
Letho tam properato, acerbo, amaro, 
Vrindi Antoniolam, patris simulque 
Matris delicias, fuit necesse ? 
Non talis superum quidem voiuntas : 
Vestrae haec invidias imputanda mors est. 
At nos cum revocarier puella 
In vitam nequeat silens priorem, 
Votis supplicibus Deas rogamus 
Junonem Veneremque, amore junctis 
Dulci conjugibus velint adesse : 
Funestae ut reparare damna mortis, 
Atque Antoniolam, loco sepultae, 
Aut Antoniolum obtinere possint. 
Qjaod, Vrinde, ut tibi sit bonum atque felix, 
Gnavus praesta operam tuam patrando. 

(Obiit Gandavi.) 

FINIS. 



i 




i44lwNP*««MlV ■■■P* 




INDEX. 



Levensbericht i 

Typographus lectori candido xxxi 

Ad Cornelii Kiliani Dufflaei Miscellanea Joannis Rom- 

boutii epigramma xxxiii 

LIBER PRIMUS. 

Lusus in Europae nationes i 

Lusus in septem artes liberales 1 1 

Lusus in tres operas librarias i6 

Orthographiae Latinae querimonia . i8 

Bibliotheca 20 

S^nnposium 21 

Gloria exitialis 22 

Abusus medicinae 24 

Animalia quadrupedia vivipara 26 

Venationes ferarum, avium, pisdum ; Pugnae bestiario- 

rum et mutuae bestiarum 73 

Encomium galli gallinacei 85 

Bellum intestinum extemo restinctum 87 

In militem impium, carmen, centonis instar, ex Virgilio 

principue contextum 87 

Aleator desperans 91 

Circulus vicissitudinis rerum humanarum 92 

Varii hominum sensus 93 

Orlanduccius Leoninus, puer leoni a matre ereptus . 94 

Speculum 95 

Comes Ugolinus Giradescus et liberi dira fame con- 

sumpti 96 

Diei et aetatum divisio 96 

Qpinque sensus, quinque diis attributi 97 

Amores naturales 98 



— 146 — 

Dii gcntium cclcbcrrimi 99 

Dcx gcntium cclcbcrrimrc • xoi 

Judicium Paridis X02 

Qpatuor clcmcnta 103 

Mcnscs XII anni solaris 104 

Qpatuor mundi partcs X07 

In P. Gossilii larcm novum xo8 

Pocticcs laus 109 

Orphcus orator 109 

Cupido nudus xxo 

Vulcanus a Pallade victus 1 10 

LIBER SECUNDUS. 

Illustrcs feminx Vetcris Testamenti iii 

Illustres fcminK Novi Testamenti 114 

Prophetac majores ct minores Veteris Testamenti. . . 116 

Vita D. Joannis Baptistac 119 

Christophorus mysticus 121 

Simon lcprosus ct mulicr peccatrix 121 

Magdalena poenitens 122 

Fides, spes, charitas 122 

In symbolum Jacobi Monawi 122 

In idcm symbolum 123 

Dona Spiritus sancti 123 

Templum 124 

In hypocritam 125 

Expostulatio Jcsu Christi cum mundo ingrato. ... 126 

Mortis agon 126 

Anima alata hominis 127 

Qpinque sensus quinque animalibus attributi ... 128 

Solitudo sivc vitae feminarum anachoretarum ... 129 
Prosopographia sive virtutum, animi^ corporis, bonorum 

extcrnorum, vitiorum et ajSfectuum variorum descriptio 135 

In obitum Christophori Plantini, architypographi regii . 141 

In cumdcm 141 

In obitum Abrahami Ortelii, cosmographi regii ... 142 

In mortem Antoniolae, Maximiliani Vrindi filiae. . . 143 



V 1 1" (; A V i: N 



.N'..i.:'.-^!\-.;".^:' :>: .XN^vu.i.iM iil B:Bi.ioriiiLi-x 






X 



*;• 



1:7» Frs. 2.50 



• t 



2. l\ A 



%., . 



J.. XIV-" c:i XV-- 



»..;.• 



• • •, .,-•«»-•»•, m f.it'!' »«'Vl*P 



n- • : . 1 

. V . * . . «. 1 



* l • > - .■ . ... 



)) 



.•» ;. 1). Cj^.r vJ..:- •..:•: JvT V.v r: vi: Jc voIliscpNianJi van 
i.;77-i.;7.^. — V^..-'.:.:'..:; l*: .i:!!^:^!!;^^ ."^iukkcn, 

»> .j. l\wl'w-v'"i<.:. c:i .\:\:c:v .:v.v:':c!::;.:^. i:i: J.c XVI- ccuw, 
vci/.iir.tlJ. c!'. i:!;:^»*:!::^^^-: J.Ov'»r Jaii Jc Bruy:ic, 
uit..;c::cvc:i vV.v^^r 1\. Ri:c!c::>, ^vwa.irJicr Jcr liand- 
scliriUcn Hj Jc KoniiiMij-ic ':\'c!:c:-!J tc Hru.sscl. — 
l»-' dccl » 

M 5. Chronijck dcr Stadi Antwcrpcn, lociAc.schrcvcn aan 
dcn notaris (jccraa:\l Bcrtrljn, uitgcgcvcn door 
Riddcr (just. \\\n Ilavrc >» 



1.50 



4'— 



>• — 



1 



''^7 1977 . 



( ^.